Het Leven en de Dood, Luk.7:11-16

  
NBV-vertaling:
11Niet lang daarna ging Jezus naar een stad die Naïn heet, en zijn leerlingen en een grote menigte gingen met hem mee.12  Toen hij de poort van de stad naderde, werd er net een dode naar buiten gedragen, de enige zoon van een weduwe. Een groot aantal mensen vergezelde haar.13  Toen de Heer haar zag, werd hij door medelijden bewogen en zei tegen haar: ‘Weeklaag niet meer.’14  Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan-de dragers bleven stilstaan-en zei: ‘Jongeman, ik zeg je: sta op!’15  De dode richtte zich op en begon te spreken, en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder.16  Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan, ‘en: ‘God heeft zich om zijn volk bekommerd!’
 
NBG-vertaling:
11 En het geschiedde kort daarna, dat Hij reisde naar een stad, genaamd Nain.

 

Als in een preek en uitleg van dit bijbelverhaal (Luk.7:11-16) gezegd wordt: 'Dit is geen geschiedenis', dan blijft de lezer/hoorder wel achter met een vraag.
Een bijbelverhaal dat begint met "En het geschiedde..." (zoals  Luk.7:11-15 in de NBG vertaling begint) onderbrengen in de categorie 'geen geschiedenis' roept de vraag op: Wat vertelt de schrijver dan wel? Welke 'geschiedenis' vertelt hij dan? Wat bedoelt de schrijver met: "En het geschiedde..."?
 
Het verhaal is, dat kan wel gezegd worden, geen geschiedenis in de betekenis van 'een wetenschappelijk verantwoord historisch-journalistiek (video)verslag van een vroegere gebeurtenis'. Die geschiedenis is verborgen en niet meer te achterhalen (Wat zijn de echte woorden die Jezus sprak? Wat zijn de echte daden die Jezus deed?). Lukas schrijft veel meer dan geschiedenis. Maar, zoals de schrijver zelf zegt: het is wel geschiedschrijving. Hij vat ‘de geschiedenis’ samen, hij recapituleert, en legt een relatie met het verleden (bijbelse geschiedenis ), met God (transcendentie) en met de toekomst (profetie/belofte). Hij verhaalt van Gods Geschiedenis. En die geschiedenis betreft Gods Tijd. En die Tijd is, was en zal zijn: het is verleden, heden en toekomst ineen. De schrijver/verteller beschrijft 'geschiedenis' die was, die is en die zijn zal. Wat hij vertelt geldt nog steeds. Het geldt voor de mensen van toen, van nu en van straks. De schrijver vertelt en verkondigt de Naam van God in het leven van de mensen van Israel. Zijn verhaal is beeld en gelijkenis van God en zijn Koninkrijk.
 
In deze gebeurtenis zoals Lukas die beschrijft valt het allereerst op dat hier een ontmoeting plaatsvindt tussen twee bijzondere 'volksbewegingen'. Ten eerste komt Jezus aan bij het plaatsje Nain, met in zijn gevolg zijn leerlingen en een menigte mensen. Ten tweede komt er op dat moment een groep mensen de poort van de stad uit, die een dode dragen, de enige zoon van een weduwe.  Hier staan het leven en de dood  tegenover elkaar.
 
Die begrafenisstoet is een ramp en buitengewoon aangrijpend. Er loopt dan ook veel volk mee voor de begrafenis. Het doet denken aan de weduwe van Sarefat (niet ver bij Nain vandaan), waar de profeet Elia ondergedoken was, en waarvan de enige zoon ziek werd en overleed. Elia wekt het dode kind op en geeft het terug aan zijn moeder (1Kon.17).
 
De volksbeweging van Jezus, met zijn leerlingen en een grote groep aanhang, doet denken aan Mozes, die met zijn volk de Israelieten en een grote menigte van allerlei herkomst, het land Egypte verliet op weg naar de vrijheid van het beloofde land (Ex.12). Jezus is bij Lukas bezig met een uittocht: zoals Mozes en de 12 stammen van Israel met een menigte aanhang, uit Egypte trok, zo trekt Jezus hier met zijn 12 leerlingen en een menigte aanhang uit het land van de zonde en de dood. Hier vertegenwoordigt Jezus met zijn gevolg het Nieuwe Israel. Hij is, roepen de mensen later uit, "een groot profeet" (vers 16). Hij is zo'n profeet waarvan Mozes zegt: profeten, zoals ik ben, zal de HEER in uw midden laten opstaan, naar hen moet u luisteren (Deut.18:15-20). Ook roepen de mensen “God heeft naar zijn volk omgezien” (vers 16), wat o.a. verwijst naar het uittochtverhaal , waarin God zijn volk gaat redden, omdat Hij hun ellende heel goed gezien en hun noodkreten heel goed gehoord heeft, (Ex.3:7 en 4:30,31). Jezus is de nieuwe Mozes, die in de Naam van God zijn volk zal redden.

 

 Jezus wordt diep geraakt door dit tragische overlijden, niet alleen door de dood van een jong mens, maar vooral door het feit dat deze jongen de enige zoon van een weduwe was. Jezus kreeg medelijden met het lot van deze weduwe. "Toen de Heer haar zag, werd hij door medelijden bewogen", vers 13 (‘medelijden’ is hier ‘ontferming’ of ‘barmhartigheid’ en ‘diep vanuit de ingewanden bewogen worden’).
 
Deze dode enige zoon van een weduwe van Israel staat hier ook in heel zijn rauwe werkelijkheid voor de toestand van Israel zelf: zij is als een weduwe die haar enige zoon verloren heeft. Het is afgelopen met de weduwe/Israel. Haar toekomst, die verzekerd wordt door vruchtbaarheid en nageslacht, is afgesneden. "Ach, hoe eenzaam zit zij neer, de eens zo levendige stad. Een weduwe is ze geworden, zij die groot was onder de volken, de vorstin van de gewesten is tot slavernij vervallen." (Klaagl.1:1). Die jongen is dood, maar ook die weduwe ('Israel') is dood: zonder man, zonder nageslacht, zonder toekomst.  Israel, in de persoon van deze weduwe, is afgesneden van haar messiaanse toekomst van recht en gerechtigheid.
 
Dan, door een golf van barmhartigheid tot handelen aangezet, raakt Jezus de baar aan, zodat de dragers stoppen en op het woord van Jezus wordt de dode jongen levend. En Hij geeft hem 'terug aan zijn moeder', net als de profeet Elia deed. Jezus, als Koning van Israel, opent de toekomst voor zijn volk in de richting van het Koninkrijk van God. Deze moeder krijgt haar enige zoon, haar toekomst, haar leven weer terug.
 
Wat te denken van het 'opwekken van doden'  door Jezus? Trok Hij rond om lukraak mensen te genezen en doden op te wekken? Alsof Hij magische handen had en magische woorden sprak? Nee. Jezus kon bij tijd en wijlen ook niet genezen vanwege ongeloof (Mt.13:58).  Ook de leerlingen van Jezus konden bij gelegenheid niet genezen vanwege hun onvolkomen geloof (Luk.9:40; Mt.17:14-21). Zijn beschreven wonderen hebben bijzondere betekenis, het zijn geen willekeurige acties van Jezus. Die wonderdaden zijn ingegeven door de Naam en het Koninkrijk van God. Jezus betoont zich de Rechterhand van God, machtig in woord en werk. Zijn wonderdaden zijn getuigenissen van Gods liefde voor zijn volk.
De Barmhartigheid van God herstelt de toekomst van Zijn volk, wat de schrijver in Jezus’ levensverhaal uitbeeldt in zijn wonderlijke daden: "blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt." (Luk.7:22).

Dit is een duidelijke verwijzing naar het veelvuldig voorkomende thema van blinden die zien en doven die horen e.d. bij de profeten, als zij spreken over de vernieuwingen bij de komst van God en zijn messiaanse Rijk. Bijvoorbeeld in Jes. 35:3-10, waar o.a. geschreven staat:

Dan worden blinden de ogen geopend,
de oren van doven worden ontsloten.
Verlamden zullen springen als herten,
de mond van stommen zal jubelen,
waterstromen zullen de woestijn splijten,
beken de dorre vlakte doorsnijden.
Het verzengde land wordt een waterplas,
dorstige grond wordt waterrijk gebied;
waar eenmaal jakhalzen huisden,
maakt dor gras plaats voor riet en biezen.


Dit is zeker: de kracht van Gods barmhartigheid  kan doden opwekken, en de toekomst en de hemel openen. Daarvan getuigen de wet en de profeten in de geschiedenis van Israel in overvloed (bijv. Ps.103:3,4). En daarvan is Jezus zelf, opgestaan uit de dood, opgenomen in de hemel en gezeten aan de rechterhand van God, de trouwe getuige. En dit is tegelijkertijd  goed nieuws en een belofte voor alle mensen van alle tijden.

 

 

 

De opgestane Heer (Portugal).