Hoe schreven de bijbelschrijvers?

 

De letterlijke lezing van bijbelse verhalen als wetenschappelijk accurate weergave van historische gebeurtenissen (als een video-camera verslag) doet denk ik geen recht aan de bedoelingen van de bijbelschrijvers. Toch schreven zij vaak geschiedenis. Wat is er dan aan de hand? Hoe schreven die bijbelschrijvers dan?

 

Want als wij dat weten, dan weten we ook hoe we die teksten (beter) moeten lezen.

Onze ogen van de 21st eeuw kijken (of je wilt of niet)  'journalistiek' of wetenschappelijk, dat wil zeggen, wij neigen tot een vorm van lezen alsof het opgenomen is met een video-camera, casettebandje of smartphone. Maar is dit wel de wijze waarop deze teksten gelezen moeten worden?

 

Men stelt wel eens de vraag:

“Geloof jij dat zus of zo echt gebeurd is?”

Bijvoorbeeld:

Geloof jij dat God de schepping is 6 dagen geschapen heeft? (Gen.1)

Geloof jij dat al het water in de Nijl van Egypte in bloed veranderde? (Ex.7:20)

Geloof jij dat de eeuwige God een 16-jarig joods meisje zwanger maakte? (Mt.1)

Geloof jij dat Jezus (en Petrus) over het water van het meer wandelde? (Mt.14:29)

Geloof jij dat Lazarus door Jezus, na drie dagen, opgewekt werd uit de dood? (Joh.11:39-43)

Geloof jij dat bij de kruisiging van Jezus een aantal doden opstonden en uit hun graven kwamen? (Mt.27:50-54)

 

Wat is hier aan de hand?

Wat is er hier aan de hand, wat is dit voor literatuur, hoe schreven die schrijvers nou eigenlijk? Al deze vragen kenmerken zich door de vooronderstelling dat het in deze verhalen gaat om een accurate beschrijving van historische gebeurtenissen, of een journalistiek verslag van een vroegere gebeurtenis. Het gaat dan om de letterlijke, historische en journalistieke beschrijving van de gebeurtenis.

De vraag naar geloof is dan gericht op het al of niet betrouwbaar achten van die accurate beschrijving van de historische gebeurtenis. Wie gelooft, acht deze verslagen dan betrouwbaar. Daarmee is ‘geloven’ gedefinieerd als het voor ‘echt gebeurd’ aannemen van onnatuurlijke, buitengewone, abnormale, wetenschappelijk onmogelijke en daarom hoogst onwaarschijnlijke gebeurtenissen.

 

Zijn het dan zomaar verzonnen verhalen? Is dit het ‘geloof’ wat in de Schriften bedoeld wordt? Ik denk van niet. Geldt het andere uiterste: al die verhalen zijn verzonnen, vrome verzinsels, uit de duim gezogen, creatieve vondsten van literaire kunstenaars uit vroeger tijden? Ook dat denk ik niet.

Wat is de vraag van de mensen, waar de bijbelschrijvers antwoord op willen geven?  Als de Bijbel in al die verhalen een antwoord geeft, wat is dan de bijbehorende vraag  (of vragen)? Want het antwoord ligt voor je.

Ik denk dat in de Bijbel antwoord gegeven wordt op deze vragen:

Wie is God, wat is Zijn Naam?

Hoe gaat God met mensen en (af)goden om?

Wie is de mens, wie ben ik als mens?

Wat is mijn bestemming? Waar kom ik vandaan en waar ga ik naar toe?

Hoe kan ik (gelukkig) leven?

 

Het geloof in de ‘accurate beschrijving van een historische gebeurtenis’ is het soort geloof dat je, om in bijbelse termen te spreken, kan vinden bij de Farizeeën en Schriftgeleerden. Zij vertegenwoordigen in de Bijbel een natuurlijke (‘vleselijke’) of ongeestelijke wijze van denken en geloven. Voor hen was de letterlijke lezing datgene waar het om draaide. De Wet of Tora diende letterlijk verstaan en gehoorzaamd te worden. Dit soort geloof is onderdeel van een religie als een geheel van voorgeschreven leringen, rituelen en gedragingen aangaande het menselijke en goddelijke.

 

Daartegenover staat het geloof dat omschreven kan worden als vertrouwen op God, het geloof/vertrouwen op Gods Aanwezigheid in jouw leven, nu en altijd. Dit vertrouwen is gericht op wie God is, op Zijn Naam. Die Naam, “Hij die met u is”, is het ankerpunt van het geloof en het gelovig handelen. Dat geloof/vertrouwen is een aspect, een eigenschap, van geestelijk leven. Dit geloof kijkt door de historische werkelijkheid heen naar de Aanwezigheid van God en spreekt over God en zijn handelen in de wereld met behulp van beeld en gelijkenis. Paulus spreekt hierover (1Cor.2:6-16) als hij zegt dat zaken betreffende God en zijn Koninkrijk alleen door de Geest van God begrepen kunnen worden en dat wij daarover kunnen spreken met 'woorden' (onderrichtingen, wijsheden, verhalen) die ons door die Geest gegeven zijn. Een mens kan volgens Paulus van nature deze zaken niet begrijpen.

 

Wat te denken van het adagium van ds. Nico ter Linden: “het is niet gebeurd, maar wel waar”?

Deze uitspraak is hetzelfde als: ‘de waarheid gebeurt niet’. Dit impliceert een tegenstelling tussen ‘gebeuren’ en ‘waar zijn’. Ik denk dat deze twee niet gescheiden kunnen worden. De waarheid gebeurt altijd. Wat waar is, is gebeurd, gebeurt en zal gebeuren. Zo is ook God: Zijn Naam geschiedt altijd. God Gebeurt. Zijn Naam is: “Ik Ben Met u”, “Ik Gebeur”. God is geen toeschouwer, maar Deelnemer. Zijn Presentie is Participatie.

 

Wat deden de bijbelschrijvers niet?

De bijbelschrijver geeft geen wetenschap in de moderne zin van het woord, dus geen kosmologie, geen biologie, geen geschiedwetenschap enz, maar vertelt wel wat er werkelijk, in en achter de historische gebeurtenissen, gebeurd is (en gebeurt, en gebeuren zal). Je krijgt als lezer geen journalistiek video-verslag van gebeurtenissen van 2000 of 3000 jaar geleden voorgeschoteld. De wetenschap splitst de zichtbare werkelijkheid op in vele deelwerkelijkheden. In de Bijbel wordt de Werkelijkheid, de zichtbare en de onzichtbare, als een geheel beschreven. Verhalen uit de Bijbel kunnen niet begrepen worden vanuit het gezichtspunt van een enkele deelwerkelijkheid van een materialistische wetenschap.

Christus is het Beeld en Gelijkenis van de Onzichtbare God. Heel zijn leven is ‘openbaring’ (sacrament), dat is zichtbaarmaking van Gods Naam, de beeldende weergave van waar die Naam (“Hij die met u is”) voor staat, en wat die Naam kan betekenen in het leven van de mensen van nu en alle tijden. Paulus schrijft dat God aan Christus ‘de naam boven alle namen geschonken heeft’. Jezus Christus vertegenwoordigt God op aarde, en laat zien wie Hij is en hoe Hij met de mensen omgaat. De levensbeschrijving van Jezus in de evangeliën is dus een eeuwig geldende, geestelijke levensbeschrijving van Hem als beeld en gelijkenis van de God van Israel, als drager van Gods Naam (Zoon van God). De Bijbel  geeft zo een accurate metaforische beschrijving van wie God is en hoe Hij omgaat met de mensen (en vice versa) door heel de geschiedenis heen.

 

Zij hadden, zoals gezegd, geen video-en bandopnamen van toespraken en gebeurtenissen. Hun beschrijvingen zijn dus geen modern-wetenschappelijke, letterlijke en historische weergaven, maar een combinatie van verschillende zaken waaronder geestelijke interpretatie of duiding aan de ene kant en historische gebeurtenissen aan de andere kant. Het gaat dus niet om moderne geschiedschrijving, maar om ‘geestelijke’ geschiedschrijving, wat genoemd wordt ‘bijbelse geschiedenis’. Deze bijbeĺse geschiedenis is bijvoorbeeld geschiedschrijving met terugwerkende kracht: het is geestelijk geduidde geschiedenis als getuigenis van het geloof in de Naam van God. In hun beschrijvingen leggen ze getuigenis af van de Naam van God, van de bemoeienis van God met de mensen (‘incarnatie’), en van (de) opstanding. Dit doen zij met behulp van historische gebeurtenissen, en ook met overleveringen, metaforen en beelden, waarover de schrijvers beschikten vanuit hun eigen religieuze en culturele context. Hun beschrijvingen verwijzen naar en verwerken en (her)gebruiken geschiedenis, maar zijn zelf niet persé (journalistieke) geschiedenis.

 

De bijbelse geschiedenis is naar de Naam van God geconfigureerde geschiedschrijving. Je kan ook zeggen dat die geschiedschrijving beeld(spraak) en gelijkenis is van het koninkrijk van God. Deze bijbelse geschiedenis is waar en is gebeurd, gebeurt en zal gebeuren in één. Het christelijke geloof, evenals het Joodse geloof, is gegrond in de aardse geschiedenis. Maar tegelijk strekt het christelijk geloof zich uit naar het hemelse of anders gezegd: in het christelijk geloof komt het hemelse onze aardse werkelijkheid binnen: dit geloof getuigt op vele wijzen van de vereniging van het hemelse en het aardse. Hoe de historische gebeurtenissen zelf plaats vonden wordt niet tot in detail en zeker niet wetenschappelijk overgeleverd, en is vaak helemaal niet meer te achterhalen. Het zoeken, bijvoorbeeld, van welke woorden en/of daden Jezus, in zijn wandel op aarde, wel en niet ‘historisch’ gesproken en/of gedaan heeft is in dit licht gezien volkomen irrelevant en onbelangrijk.

 

Die oude schrijvers schreven anders, maar hoe?

Hieronder een aantal uitspraken over hoe ik denk dat de bijbelschrijvers wel schreven. De lijst is ongetwijfeld niet volledig, en sommige punten overlappen elkaar, maar het geeft een indruk van hoe er geschreven en gedacht werd.

 

1.

Zij schreven ‘geestelijk’.

Paulus schrijft dat de wet geestelijk is. De wet is heilig, goed en rechtvaardig (Rom.7:12-14). Dat is altijd zo geweest. De ‘wet’ is niet pas met de komst van Jezus geestelijk geworden en zo uitgelegd, maar zij is zo vanaf het begin geschreven. Ook Jezus zegt (Joh.6:63): mijn woorden zijn geest en leven. Wat is dan ‘geestelijk’? Over het algemeen kun je zeggen dat ‘geestelijk’  wijst op het principe van ‘zo boven, zo beneden’ ofwel dat er gesproken wordt over het hogere, het hemelse, het goddelijke, kortom over het Koninkrijk van God, met behulp van aardse beelden en gelijkenissen. Het gaat daarbij om educatie door illustratie. Zo is bijvoorbeeld de Ark van het Verbond gemaakt als gelijkenis van het hemelse model dat Mozes op de Berg te zien kreeg (Ex.25:9,40).

 

2.

Zij schreven profetie, historie, transcendentie en recapitulatie in één woord, beeld, tekst of verhaal ten dienste van de Naam van God. Alles wordt ten dienste gesteld van de Naam en daaraan ondergeschikt gemaakt. Iedere gedachte en bedenksel wordt onderworpen aan Christus en Hem dienstbaar gemaakt (2Cor.10:5).

Anders gezegd: de bijbelse verhalen zijn recapitulatie (samenvatting en vereniging), als beeld en gelijkenis, van historische gebeurtenissen (verleden), transcendente werkelijkheid (heden) en profetische gebeurtenissen (toekomst). De verhalen zijn gebeurd, gebeuren en zullen gebeuren.

De platte wetenschappelijke historische gegevens zijn niet meer te achterhalen en ook niet belangrijk omdat de geschiedenis door de dood en opstanding van de Christus geheiligd is.

Deze geheiligde Bijbelse verhalen kunnen ook de bewerking of recycling zijn naar hemels model (hergebruik na omvorming) van heidense verhalen: heidendom wordt in de Bijbel gerecycled/geheiligd naar hemels model. Ook de verhalen en het verlangen van de heidenen vinden hun vervulling in de God van Abraham, Izaak en Jakob.

 

3.

Zij gebruikten vaak getallen als manieren om te vertellen: tellen is vertellen. Dit blijkt uit het openlijke gebruik van bepaalde getallen, zoals bijvoorbeeld het getal 7, 12 e.a. en ook verborgen zoals bij het getalsmatig structureren van de tekst, bijvoorbeeld als Matteüs 7 intenties opsomt in het gebed dat Jezus ons geleerd heeft (Mt.6:9). Dit tellen als toegevoegde betekenis wordt in heel de bijbel gedaan.

 

4.

Zij pakten werkelijke, historische gebeurtenissen, die in de tijd uit elkaar liggen, samen in één verhaal, beeld of beschrijving. Voor God zijn alle tijden nu en voor God zijn alle plaatsen hier. Dit is te vergelijken met een droom waarin verschillende gebeurtenissen van verschillende tijden/momenten samenkomen in één droomervaring of droomverhaal. Of zoals in een schilderij verschillende tijden/gebeurtenissen in één beeld gevangen kunnen worden. De Geest vat samen wat is, wat was en wat komt, in één vertelling. Bijvoorbeeld de beschrijving van Matteüs van de kruisdood van Jezus (Mt.27:45-54) lijkt mij zo’n samenballing van gebeurtenissen naar één moment in de geschiedenis, waarbij tegelijkertijd de betekenis van de kruisdood uitgelegd wordt. Verschillende tijden en gebeurtenissen vloeien samen naar het tijdstip van de gekozen beschrijving.

 

5.

Historische gebeurtenissen en het gebruik van beeldspraak staan ten dienste van de bijbelse geschiedschrijving.

Zij schreven geschiedenis, dat wil zeggen bijbelse geschiedenis. Daarvoor gebruikten zij bekende historische gegevens, visioenen, mythologische beelden en voorstellingen, beeldspraak, goden-  helden- en volksverhalen, sprookjes, poëzie e.d. Zij gebruikten allerlei oerbeelden, uit de ziel en de geest voortgekomen en aanwezig bij vele volken, om bijbelse geschiedenis te vertellen.  Zij bewerkten en kritiseerden, ‘hebraïseerden’ of ‘christianiseerden’, die goden-helden- en volksverhalen. Deze bewerking is gericht op de Naam van de Ene God,  zijn rechtvaardige Koning en zijn rechtvaardige wereld.

De beelden die de schrijvers gebruiken verwijzen naar geschiedenis, naar wat werkelijk gebeurd is, maar zijn zelf die geschiedenis niet.  De redenering dat als er gesproken wordt in beeldtaal, dat er dan geen sprake is van ‘historiciteit’ is in zoverre onjuist, dat de beeldspraak wel staat voor en verwijst naar historie/geschiedenis.

Het beeld moet je niet verwarren met de werkelijkheid (dan wordt het beeld een god), maar  verwijst naar de werkelijkheid, die (van) God is. Christus is de vereniging van beeld (de mens) en werkelijkheid (God). In de bijbel is die vereniging (incarnatie) van God’s werkelijkheid en de werkelijkheid van de mens en zijn geschiedenis, opgeschreven.

Het bijbelse beeldverhaal is volkomen in overeenstemming met de Naam van God en met de drager van die Naam, Jezus Christus. Het beeld verwijst naar geschiedenis (het is gebeurd, gebeurt en zal gebeuren).

Het beeldverhaal kan bijvoorbeeld  overgenomen zijn uit de (goden)verhalen van de volkeren (hergebruik), maar dan omgewerkt  en in relatie gebracht met de Naam, en daardoor wordt het verhaal  getuige van de Naam. De (af)god wordt getuige van en onderworpen aan God. “Ieder gooide zijn staf neer, en elke staf veranderde in een slang. Maar de staf van Aäron verslond alle andere staven.” (Ex.7:12). Hier ‘eet’ (dat wil zeggen overwint, incorporeert) de wijsheid en de kracht (=de slang) van de Ene God van Israel de wijsheid en kracht van de goden van Egypte (=de volkeren).

Bijvoorbeeld:

-De heidenen zeggen: “De zon is mijn God”.

De bijbelschrijver zegt: “God is mijn zon”. (Ps.84:11; Op.22:5).

 

-De geboortedag van de zonnegod in de oude oosterse zonnecultus (25 december) is door het christendom overgenomen als geboortedag van Christus als het Licht van de wereld.

De goden van de volkeren worden opgeslokt/verteerd door de Naam van God en krijgen hun ware betekenis terug in de Naam van God.

 

-Het heilig huwelijk van de god (Baäl) en de godin (Ishtar/Astarte) wordt het heilig huwelijk van God en Israel/Jeruzalem, de vereniging van God en mens. De vruchtbaarheid van mens en land komt voort uit die vereniging: een heilige koning (Immanuël) met een heilig volk in het heilige land. Dit is, denk ik, wat de Katechismus van de Katholieke Kerk noemt: ‘semen verbi’ , zaden van het Woord. Dat zijn natuurlijke geestelijke rijkdommen gezaaid en gegroeid onder de volkeren ter voorbereiding op het evangelie en ten behoeve van de goddelijke pedagogie.

 

6.

Zij maakten samenvattingen, soms met één beeld of één woord, waarmee zij een hele gedachtenwereld of tijdperk samenvatten.

 

7.

Zij schreven toespraken, brieven, verhalen, visioenen, kronieken en registers volgens regels, gewoonten en gebruiken van hun eigen tijd.

 

8.

Zij schreven kernachtig, kort en bondig, waarbij zij menselijke ruis, roezemoes en rommel weg filterden. De tekst is vaak zwart-wit en goed-kwaad. Hun werk is niet even snel opgeschreven. Zij schilderden (laag over laag), componeerden, polijstten, slijpten, schaafden, schuurden, schrapten, organiseerden, herhaalden, schikten en herschikten.

 

9.

Zij schreven liturgisch en symbolisch ten behoeve van de eredienst:  de rituele ontmoeting met God. De teksten verwoorden de vereniging van boven en beneden, van hemel en aarde, van tijdelijk en eeuwig, van God en mens. In de verhalen wordt de lezer meegenomen in de wereld van de transcendentie en betrokken op de wereld van de transcendentie. Zij functioneren als spiegel voor de mens, waardoor de mens zichzelf herkent, waardoor de mens deelnemer wordt en waardoor de mens verandert:  de verhalen nodigen uit tot identificatie, participatie en transformatie.

 

10.

De bijbel, als geschreven woord van God, is het getuigenis en sacrament (zichtbaar teken en instrument) van het mysterie van het eeuwige Woord van God.

 

11.

Zij scheven profetische teksten als literaire stijlvorm. Terugkijkend op hun verleden duidden zij de geschiedenis in de vorm van een profetie (voorspelling) die zij plaatsten in een tijd voorafgaande aan de geprofeteerde toekomst: hun eigen verleden wordt geprofeteerde toekomst in de mond van God of een vroegere profeet. Het is verhalende geschiedschrijving in de literaire vorm van een profetie.

Bijvoorbeeld:

a.De voorspelling van God in Gen.15:13:

“Toen zei de HEER: ‘Wees ervan doordrongen dat je nakomelingen als vreemdeling zullen wonen in een land dat niet van hen is en dat ze daar slaaf zullen zijn en onderdrukt zullen worden, vierhonderd jaar lang.De vervulling hiervan geschiedt vierhonderd (en dertig) jaar later:

Ex.12:40,41

“Vierhonderddertig jaar hadden de Israëlieten in Egypte gewoond; na precies vierhonderddertig jaar-geen dag eerder of later-trok het volk van de HEER, in groepen geordend, uit Egypte weg.”

Opmerking:

De tijd van Abraham en de omzwervingen van zijn nakomelingen tot de uittocht en de wetgeving worden geteld als vierhonderd en dertig jaar. (Gal.3:17).

Er wordt gerekend vanaf de geboorte van Izaak. De dertig jaren extra in de vervulling worden geteld vanaf de tijd van dit visioen. De schrijvers gebruiken hier duidelijk getallen van volledigheid: 10x40 en 3x10 (een volledige periode van aardse beproeving, zie punt 3).

De schrijvers keken terug op hun geschiedenis en verwerkten hun duiding daarvan als voorspelling van de toekomst door God.

 

 b.In het boek Openbaring schrijft de auteur zijn duiding van het verleden op als profetie van de toekomst. De geschiedenis van Israel en de ondergang van het oude Jeruzalem als einde van de geschiedenis zijn de spiegel waarin hij de toekomst schouwt. De grote stad, het opstandige en overspelige oude Jeruzalem c.q. Babylon, gaat ten onder in het rumoer van de volkeren en tegelijkertijd wordt de hoop op het nieuwe Jeruzalem en de nieuwe wereld vastgehouden zoals in de oude geschiedenis God altijd uitzicht geeft op herstel van zijn volk in het land. De duiding van het verleden is hier verwerkt tot profetie van de toekomst. De profeet ziet de toekomst in de geschiedenis. In het verleden ziet hij de toekomst.

 

c. In het boek Daniël, geschreven in de tweede eeuw voor Christus, worden de eigentijdse geo-politieke ontwikkelingen beschreven als profetie gezien vanuit de zesde eeuw voor Christus in de tijd van koning Nebukadnessar. De profetische voorspellingen zijn duidingen van eigentijdse geo-politieke ontwikkelingen (bijv. Dan. 2 over de droom van de koning over het beeld van goud, zilver, brons ijzer en leem: een stuk geschiedenis in een notendop).

 

12.

Zij schreven ‘geïnspireerd door de heilige Geest’. Dat wil zeggen:

-met kennis van de mondelinge overlevering en later van de aanwezige heilige Schrift (de Tora, Psalmen en Profeten).

-met het oog op Gods Koninkrijk en Zijn Koning, zijn  barmhartigheid en gerechtigheid: de Naam.

-zij scheven geschiedenis vanuit Gods perspectief, zijn  standpunt en gezichtspunt.

-zij schreven volgens het principe zo boven - zo beneden, zo God - zo mens.

-zij schreven zo dat de mens goddelijke pedagogie ontvangt en dat de woorden en verhalen een morele spiegel zijn voor de mens.

 

13.

Zij schreven wonderverhalen als getuigenissen en openbaringen van de Naam van God.  Daarbij gaat het niet noodzakelijk om ‘jounalistiek’, maar  om Naamsbekendheid, kennismaking en geloofsverkondiging. Het christelijk geloof verkondigt niet spectaculaire wonderen, tovenarij en magie, maar de Naam van God, en het geloof in die Naam doet wonderen.

Wonderverhalen zijn ook leerverhalen over de relatie tussen God en mens, over hoe God met de mens omgaat en hoe de mens met God om gaat of behoort om te gaan.

 

14.

Zij schreven vanuit het gezichtspunt en standpunt van het geloof in God de Eeuwige Schepper van hemel en aarde, leven en eeuwig leven. De schrijvers duidden de geschiedenis vanuit:

-De schepping;

-De dood (ondergang) en opstanding van Christus;

-Christus als vereniging van God en mens, God en wereld,  hemel en aarde, en als verzoening van de zonde.

 

15.

Zij schreven geen geschiedenis zoals de hedendaagse mens geschiedenis verstaat namelijk als videocamerageschiedenis, maar zij vertelden de gebeurtenissen van hun levens, dat wat gebeurde, als verhaal van God en de openbaring of incarnatie van zijn Naam in de wereld en in de levens van de mensen. Zij schreven het verhaal als geduidde geschiedenis met als kern de bemoeienis van God met de wereld en de mensen: de ontplooiing en uitbreiding van de Naam, de historische incarnatie van God en het goddelijke. Zij schreven zo omdat de lezers van hun tijd zo lazen. Daarom is hun verhaal een eenheid en samenvatting (recapitulatie) van historie, transcendentie, profetie en pedagogie. Alles dient de Naam, en is daaraan gehoorzaam gemaakt. En die Naam is: ‘Ik Ben bij u’, als barmhartigheid, gerechtigheid, leven uit de dood, opstanding.

 

16.

De bijbelschrijver schrijft geschiedenis met 'terugwerkende kracht', gezien vanuit de opstanding, als verkondiging van de Naam van God. In die geschiedenis komen de feitelijke gebeurtenissen en de opstandingsgeschiedenis samen in één geschiedschrijving, in één vertelling.

 

17.

Zij rechtvaardigen, heiligen en zegenen God, de mensen en de geschiedenis. De schrijvers zochten en beschreven het recht en de gerechtigheid van God in de historische gebeurtenissen. Zij maken de geschiedenis bijzonder en ‘mooi’, volmaakt en in overeenstemming met de Naam van God. De feitelijke en gedetaileerde geschiedenis, zoals wij mensen die kennen, is ruw, rauw, rommelig, smerig, een modderwedstrijd, een (evolutionaire) worsteling om boven te blijven. Maar de schrijvers filteren, en vatten de geschiedenis samen om de Naam te heiligen. In Genesis 1 en 2, waarin over de ‘zeer goede’ schepping gesproken wordt, wordt God en zijn Naam geheiligd: alles wat Hij doet en deed is goed. Ook in Matteus 1 wordt de Naam van Jezus geheiligd: hij is geboren uit God, uit de heilige Geest, hij is de ware geestelijke mens. De Christus is in de Heilige God, en God is in Hem. Jezus’ dood en opstanding zijn eeuwig in en door Gods Geest.

God heeft Israel geheiligd, dit volk Zijn Naam geschonken. Israel is de drager van Gods Naam. Daarom is Israel ook de zoon van God. Zo heeft God ook Jezus de Messias van Israel geheiligd, hem Zijn Naam geschonken. Jezus is, als Vertegenwoordiger van Israel, de drager van Gods Naam, en dus is ook hij de zoon van God. In de evangeliën, als proclamaties van het komende Koninkrijk van God, blijkt telkens weer dat Jezus die Naam vertegenwoordigt en present stelt.

Zij spraken positief over (zegenden) mensen en hun geschiedenis, als Gods goede Werken. De donkere kanten van het menselijk bestaan worden niet ontkend, maar als deel uitmakend van een Groter Plan eenvoudig en duidelijk in het overwinnende licht gesteld.

 

18.

Zij verwerkten levenservaringen en levenswijsheid van het volk Israel en de Kerk in de evangelische levensbeschrijving van Jezus Christus. Deze fundamentele ervaringen van verlossing betreffen geboorte, lijden, sterven, opstanding, heiliging en verhoging als universele menselijke ervaring, waarvan verhalen terug te vinden zijn over de hele wereld. Daarom kan er gesproken worden van universele geboorte-, lijdens-, opstandings- en hemelvaartverhalen. Het zijn ondergangs- en overwinningsverhalen. Dat godenverhalen of heldenverhalen of verhalen over romeinse keizers overeenkomsten vertonen met het evangelische levensverhaal van Jezus is dus geen argument tegen, maar eerder een argument voor de betrouwbare overleveringen in de bijbelse beschrijvingen.

Dat de schrijvers die projectie van levenservaringen van de Kerk op en in het leven van Jezus konden doen is volkomen gerechtvaardigd omdat het Hoofd (de Christus) en het Lichaam (de Kerk) één zijn.

 

19.

In voorwetenschappelijke tijden keek men naar het verleden, niet vanuit een wetenschappelijke interesse of vraagstelling, maar omdat de uitleg van en visie op het verleden bedoeld was om betekenis te geven aan het heden en de toekomst.
De 'geschiedschrijving' van wereld, God/goden en mensen, stond ten dienste van heden en toekomst. De geschiedenis was betekenisverlening aan het heden en de toekomst. Gebeurtenissen werden uitgelegd en samengevat in betekenisvolle beelden en gelijkenissen. De lezer zag zichzelf en zijn toekomst in de spiegel van de verhalen over het/zijn verleden. Zo schreven, denk ik, ook de bijbelschrijvers. Hier ligt m.i. een grote vergissing van de creationistische wetenschappelijke uitleg (6000 jaar oude schepping die volbracht is in 6 dagen van 24 uur) van de Genesisverhalen over oorsprong en schepping (H 1-11).