Welke dag stierf Jezus?

Over 'De datum van het laatste avondmaal'.

 
If Jesus read the gospel now he would surely say:
“I couldn’t have said it better myself.”


Als ik iets verkeerd uitleg, laat het me dan weten.

 

Over 'De datum van het laatste avondmaal', p.104-111
Joseph Ratzinger, Benedictus XVI
Jezus van Nazareth
Deel II van de intocht in Jeruzalem tot de opstanding
Lannoo, 2011


In dit hoofdstuk uit zijn boek “Jezus van Nazareth”, deel 2, bespreekt Benedictus het probleem van de harmonisatie van de chronologieën van de 4 evangelies. Hij doet dit beknopt want er wordt heel veel papier en pixel gebruikt om de problemen hieromtrent op te lossen. Deze problematiek is dan ook een ingewikkelde kluwen van grote en kleine vraagstukken op het gebied van datering, tekstverklaringen, vertaalproblemen, historische vraagstukken over het jodendom van de eerste eeuw en andere.


Een van de problemen is de vraag:
stierf Jezus op dezelfde dag/tijd als de dag waarop het joodse paaslam geslacht werd, dus op de 14de Nissan, of stierf Hij op de paasfeestdag zelf, de 15de Nissan?


Het verassende in Benedictus’ bespreking is dat hij kiest, of beter gezegd het gevoel heeft te moeten kiezen op grond van wetenschappelijke argumenten en redeneringen, voor de niet-traditionele chronologie, waarbij Jezus stierf op de 14de Nissan. Dit artikel is een kritische bespreking van dat standpunt.

De traditionele chronologie van de synoptici, de evangelisten Matteus, Marcus en Lucas, ziet er als volgt uit. Ik geef ook de joodse dagen aan, die volgens de wet voorgeschreven zijn:

Donderdag:
-14de Nissan in de middag slachten van de paaslammeren op het tempelplein;
-'s avonds na zonsondergang, dus op vrijdag volgens de joodse telling, de 15de Nissan, eten van het paasmaal;
Vrijdag:
-de 15de Nissan, het paasfeest, te beginnen met onze donderdagavond;
-eten van de paasmaaltijd;
-gevangenneming;
-proces;
-kruisiging in de middag;
-kruisafneming;
-begrafenis voor zonsondergang (waarna de Sabbat begint);
Zaterdag:
-Sabbat, te beginnen met onze vrijdagavond na zonsondergang;
Zondag:
-de opstanding van Jezus.

 

 

Daarover zegt Benedictus:

 

"Deze chronologie is in die zin problematisch dat het proces en de kruisiging van Jezus op het Paschafeest zouden hebben plaatsgevonden, dat in dat jaar op een vrijdag viel. Veel wetenschappers hebben wel geprobeerd aan te tonen dat proces en kruisiging verenigbaar waren met de voorschriften van het Paschafeest. Maar ondanks alle kennis lijkt het toch twijfelachtig of op dit joodse hoogfeest een proces voor Pilatus en een kruisiging geoorloofd en mogelijk zouden zijn. Bovendien pleit een opmerking van Marcus hiertegen. Hij zegt dat de hogepriesters en de Schriftgeleerden twee dagen voor het feest van de ongedesemde broden een mogelijkheid zochten om Jezus met een list in handen te krijgen en ter dood te brengen, maar daarbij zeiden: 'Niet op het feest, er moet geen opschudding onder het volk ontstaan'(Mc 14,1v). Maar in de chronologie van de synoptici vindt de terechtstelling van Jezus juist op het feest plaats."(p.105).

 

"Tegenwoordig groeit echter het inzicht dat de chronologie van Johannes historisch waarschijnlijker is dan die van de synoptici. Want zoals gezegd: proces en terechtstelling op het feest zelf zijn nauwelijks denkbaar."(p.106).

 

Bij Johannes loopt de chronologie anders volgens Benedictus, p.106: "Proces en kruisiging vinden plaats op de dag voor het Pascha, op de 'rustdag', niet op het feest zelf." Bij Johannes sterft Jezus dan op het moment dat in de tempel de paaslammeren geslacht worden.

"Hij sterft als het werkelijke lam, dat in de lammeren wordt voorvoeld en vermoed."(p.106). Dit naar aanleiding van wat Johannes schrijft: 'Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal'. (Joh.18:28).

 

Benedictus vindt de visie van John P. Meier overtuigend (A marginal Jew, 1991). Hij schrijft, en daarbij volgt hij Meier:
"Hij komt tot de conclusie dat er gekozen moet worden tussen de synoptische en de johanneische chronologie, en hij toont op grond van omvattend bronnenonderzoek aan dat de beslissing moet uitvallen ten gunste van Johannes. Johannes merkt terecht op dat de joodse gezagsdragers op het moment van het proces van Jezus voor Pilatus het paaslam nog niet gegeten hebben en zich daarvoor nog cultisch rein moesten houden. Hij heeft ook gelijk als hij zegt dat de kruisiging niet plaatsvond op het feest zelf, maar op de dag eraan voorafgaand. Dat betekent dat Jezus gestorven is op het uur waarop in de tempel de paaslammeren geslacht werden." (p.109)……………."Hij wist dat Hij het paaslam niet meer zou kunnen eten. In die wetenschap nodigde Hij de zijnen uit voor een heel bijzondere Laatste Avondmaal, dat geen enkele joodse ritus volgde, maar dat zijn afscheid was en waarbij Hij iets nieuws schonk, zichzelf als het ware lam, en daarmee zijn Pascha instelde."…….."Een ding is duidelijk in alle overleveringen: de kern van dit afscheidsmaal was niet het oude Pascha, maar het nieuwe, dat Jezus in deze samenhang voltrok. Ook al was de bijeenkomst van Jezus met zijn leerlingen geen Paschamaaltijd volgens de rituele voorschriften van het jodendom, terugblikkend was er een innerlijke samenhang van het Pascha met de dood en opstanding van Jezus: het was Jezus' eigen Pascha. In die zin heeft Hij het Pascha gevierd en niet gevierd: de oude riten konden niet voltrokken worden; toen hun uur gekomen was, was Jezus al gestorven."(p.110,111).

 

De grote vraag in deze chronologie discussie is of de kruisiging plaats vindt op de 14de Nissan of op de 15de Nissan, dus op de middag dat de paaslammeren geslacht worden of op (de eerste dag van) het paasfeest zelf. En daaraan gekoppeld de (on)mogelijkheid van Jezus om zelf het joodse paasmaal te kunnen vieren.

 

Benedictus lijkt de voorkeur te geven aan de chronologie van Johannes, hoewel hij blijft hinken op twee benen, want meerdere keren plaatst hij in bijzinnen of tussen haakjes in verband met het joodse paasmaal relativerende opmerkingen, bijvoorbeeld: “als het Laatste Avondmaal van Jezus dat al was” p.130, en “of het nu een Paschamaal was of niet”, p.136.
Maar later (p.167), bij de bespreking van het gesprek tussen Jezus en Pilatus, neemt hij de veronderstelde chronologie van Johannes, dat Jezus stierf op het moment van de slacht van de paaslammeren en dat Jezus dus geen joods paasmaal kon gevierd hebben, als vaststaand gegeven aan. Ook bij de bespreking van het sterven van Jezus gaat Benedictus als vanzelfsprekend uit van dat tijdstip: “Het is het uur waarin de Paschalammeren geslacht worden.”(p.202).

 

Mijn voorkeur gaat uit naar de chronologie van de synoptici, die dezelfde is als de chronologie van Johannes. Ik hoop voor dit standpunt hieronder overtuigende argumenten te geven.

 

Jezus sterft ‘op het paasfeest’.

 

Wie de synoptische evangelies leest op onbevangen wijze, komt niet op het idee om te betwijfelen dat het laatste avondmaal van Jezus en zijn leerlingen een joods paasmaal is. De weergave van de drie evangelisten laat hierover in het geheel geen twijfel bestaan. Bij Marcus en Lucas wordt met zoveel woorden gezegd dat de dag aanbrak waarop het paaslam geslacht wordt en dat de leerlingen Jezus vragen waar zij de nodige voorbereidingen zullen treffen om het paaslam te kunnen eten (Mc.14:12; Lc.22:7). Benedictus erkent dit ook als hij schrijft: "Anderzijds is Jezus' Laatste Avondmaal zozeer verweven met de traditie van het Paschamaal, dat het problematisch is het Paschakarakter te ontkennen." (p.106) en hij zegt: "Natuurlijk blijft de vraag waarom de synoptici dan over een Paschamaal hebben gesproken." (p.109).

 

1. Benedictus wijst erop dat de joodse gezagsdragers zeggen: ‘niet op het feest’, (Mc.14:1). In de beschrijving van Matteus is de context van deze uitspraak van de gezagsdragers de volgende:

“Toen Jezus deze laatste rede had uitgesproken, zei hij tegen zijn leerlingen:
‘Over twee dagen is het, zoals jullie weten, Pesach. Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden.’ Ondertussen kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de hogepriester, Kajafas. Daar beraamden ze het plan om Jezus door middel van een list gevangen te nemen en hem te doden.‘Maar niet op het feest, ‘zeiden ze, ‘want dan komt het volk in opstand.’” Mt.26:1-5.

Jezus verklaart hier zelf dat hij op het paasfeest uitgeleverd zal worden en gekruisigd. Ondertussen zeggen de gezagsdragers hoe zij dit willen zien gebeuren: niet op het feest. Zij vinden dat niet opportuun, het geeft teveel beroering onder het volk. De uitspraak van Jezus dat Hij op het paasfeest zal sterven wordt hier door Matteus doelbewust lijnrecht tegenover de uitspraak van de gezagsdragers geplaatst (niet op het feest). Jezus' woorden zullen echter vervuld worden, ondanks en in tegenstelling tot de boze plannen van de joodse leiders. Matteus laat Jezus nadrukkelijk zeggen dat hij op het paasfeest zal sterven.
Benedictus schrijft: “Maar ondanks alle kennis lijkt het toch twijfelachtig of op dit joodse hoogfeest een proces voor Pilatus en een kruisiging geoorloofd en mogelijk zouden zijn.” (p.105). Hij acht het "nauwelijks denkbaar" dat proces en terechtstelling op het feest zelf plaatsvinden in verband met de voorschriften van dit paasfeest. Als men uitgaat van de integriteit en wetsgetrouwheid van de joodse en romeinse leiders dan zou men dit kunnen stellen. Wat de evangelisten echter weergeven in hun beschrijving van de gebeurtenissen is het tegenovergestelde: integriteit en wetsgetrouwheid waren ver te zoeken. Hoewel de evangelisten geen videocamera-geschiedenis beschrijven kan toch gezegd worden dat hun (profetische) weergave van de gebeurtenissen een realistische grond vindt in de historie zelf. De evangelisten wisten, net als Jezus, ‘wat er in de mens omging’, Joh. 2:25.
De joodse gezagsdragers wilden Jezus met list vangen en doden. Het joodse volk was onderling sterk verdeeld en versplinterd, de leiders waren over het algemeen corrupt (niets nieuws onder de zon). Toen de gezagsdragers de gelegenheid kregen hebben zij die aangegrepen, ook al was dit dan toch op de feestdag zelf.


Hoe de hogepriester zich hield aan de wet blijkt uit de ondervraging die Jezus onderging. Naar aanleiding van Jezus’antwoorden “scheurde de hogepriester zijn kleren en riep: 'hij heeft God gelasterd'.” (Mt.26:63-65). Ook Benedictus wijst hierop en citeert Gnilka: “ ‘Als de hogepriester zijn gewaad scheurt, gebeurt dat niet uit woede, maar het is voor de zetelende rechter voorgeschreven als teken van verontwaardiging bij het horen van godslastering’ (Gnilka, Matthäusevangelium II, p.429)”. Wanneer Matteus dit scheuren van de heilige kleding, dat door de hogepriester op de feestdag gedragen werd, beschrijft, dan doet hij dat m.i. niet om de juistheid van de juridische gang van zaken te bevestigen. Die ondervraging was bepaald niet kosjer. Ik denk integendeel: Matteus is zich zeer bewust van de macht van de overleveringen waardoor het woord van God ontkracht wordt (Mt.15:6). En hier gaat het om zo’n woord van God. Het is voor de hogepriester nadrukkelijk verboden, op straffe van de dood, om zijn kleren te scheuren (zie Lv.21:10 ; Lv.10:6). De traditie heeft dit verbod blijkbaar overvleugeld, maar Matteus lijkt hier te zeggen: ‘dat is niet vanaf het begin zo geweest.’ (Mt.19:8).
Hier wordt door Matteus het einde van het Levitische priesterschap met zijn tempeloffers aangekondigd. De leiders maakten de maat van hun voorouders vol.
Het proces en de terechtstelling waren een farce en verliepen niet zoals een eerlijk proces zou moeten lopen. Jezus moest verdwijnen. Wat zij wel voor elkaar kregen was dat zij Jezus konden uitleveren aan de heidenen (c.q. Pilatus). Jezus werd op deze feestdag uitgeleverd aan de heidenen en door hen gekruisigd, geheel in overeenstemming met zijn eigen woorden en met de voorzienigheid van God. Hier geldt: de heidenen deden op aandringen van de joden het licht uit.

 

2. Nissan 15, de eerste paasdag en de feestdag van de uittocht van Israel uit Egypte, is oorspronkelijk een dag van oordeel over de mensheid c.q. Egypte. Alleen het ‘bloed van het lam’ kon Israel, en iedereen die zich bij dit volk aansloot, redden (zie over het exodusverhaal Exodus hoofdstuk 12).
De feestdag van pasen is dus eigenlijk een dag van huiver voor het oordeel van God, waarbij Israel met vrezen en beven gespaard wordt voor dit oordeel. Op die dag liet de Heer toe dat alle eerstgeborenen van mens (en dier), stamhouders en erfgenamen van Egypte, gedood werden door de “doodsengel”, waardoor Egypte geen toekomst meer had. Egypte was onthoofd, (Ex.12:23,29). Het oorspronkelijke pasen is een angstaanjagende dag en de uitredding en bescherming komen van Gods instructies met betrekking tot het paaslam. Het oordeel gaat aan ieder huis voorbij (passeert) waar het bloed aan de deurposten gesmeerd is.
Jezus nu stierf op dezelfde dag als ‘de eerstgeborenen’, op de 15de Nissan, juist omdat dit de dag van Gods oordeel over Egypte was, (Ex.12:29). Hij werd uit de gemeenschap van Israel gestoten, afgesneden van Israel, buiten het verbond en de wet geplaatst, uit de synagoge gebannen, ‘het huis uitgezet’ en in de handen van de heidenen gegeven en kreeg met datzelfde oordeel te maken. Alle 4 evangelisten benadrukken dat Jezus uitgestoten en gedood moest worden (b.v. Mt.20:18,19).
Jezus, de eerstgeborene van Israel en de eerstgeborene van de schepping (Lc.2:23, Coll. 1:15), wordt buiten het beschermende verbond van Israel gezet, overgeleverd aan de heidenen en komt onder het oordeel van God. Dat oordeel ondergaat, verzoent en overwint Hij. Deze ene Eerstgeborene heeft, op ‘de dag des oordeels’, de 15de Nissan, het oordeel plaatsvervangend gedragen voor allen, Israel en de ‘Egyptenaren’, de gehele mensheid.
Hij moest ‘buiten de poort’ (Hebr.13:12,13) sterven en wel op de dag van de dood van de eerstgeborenen.

 

3. Pilatus zelf geeft aan dat het op de dag van het proces al Paasfeest is, de 15de Nissan, vrijdagmiddag, wanneer hij zegt:
‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat-wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ (Joh.18:39, zie ook Mt.27:15 ; Mc.15:6 ; Lc.23:17). Deze gebeurtenis, zoals Johannes die beschrijft, komt overeen met wat de synoptici verhalen, en bij hen vindt het ook plaats op het paasfeest zelf. Er is geen reden om aan te nemen waarom Johannes hiervan af zou wijken: ook hij beschrijft het op het paasfeest zelf.

 

4. Alles in het verhaal van Johannes, evenals bij de synoptici, gaat naar Jeruzalem toe en naar pasen, de 15de Nissan. Jezus is op weg naar Jeruzalem en ook naar pasen.
-in hoofdstuk 11, waarin besloten wordt éen man te offeren voor heel het volk in plaats van dat heel het volk verloren gaat en waarin besloten wordt Jezus te doden en bij gelegenheid te arresteren. De verwachting van het aanstaande paasfeest is groot. De joden vragen zich af: zou Jezus ook op deze feestdag aanwezig zijn of niet?
-in hoodstuk 12, dat begint met “Zes dagen voor Pesach ging Jezus naar Betanië”. De pelgrims, die naar Jeruzalem gekomen waren, reageerden enthousiast op zijn komst naar Jeruzalem.
-Pasen en Jeruzalem horen van oudsher onverbrekelijk bij elkaar. Elk jaar na de paasmaaltijd spreken de joden in ballingschap de wens uit: ‘volgend jaar vieren we pasen in Jeruzalem’. Daarmee uiten zij hun hoop op de komst van de Messias.
Als Jezus bij Johannes op de dag vóor pasen, de 14de Nissan, zou sterven dan komt dit ongerijmd over ten opzichte van de grote verhaallijn, die uitloopt op Jeruzalem en pasen, want na dit sterven komt pasen niet meer ter sprake.

 

5. De gedachte dat Jezus een laatste avondmaal organiseert "dat geen enkele joodse ritus volgde" (Benedictus) is onwaarschijnlijk. Jezus de messias van Israel, die heel zijn leven tot aan zijn dood op het kruis, trouw de wet nageleefd heeft, en altijd het paasfeest met zijn paasmaaltijd gevierd heeft op de avond van de 15de Nissan na de dag van de 14de Nissan, waarop de paaslammeren geslacht werden, zou nu een volkomen nieuwe ritus creeren? Dit is nauwelijks voorstelbaar. Hij verlangde vurig naar het eten van dit voor Hem laatste joodse pasen (Lc.22:15). Dit joodse pasen was toch ook voor Jezus, hoewel Hij de messias was, een troostende belofte van zijn God van verlossing 'uit het dodenrijk van Egypte', zoals het voor heel het joodse volk een viering en belofte van verlossing was. Jezus zou die belofte aan zijn volk gaan inlossen en veranderde niets aan deze joodse rite. Wat hij wel deed was de betekenis van deze rite, die er in besloten lag, uitleggen (met o.a. de eucharistische woorden over het brood en de wijn) en vervullen.
De m.i. geforceerde uitweg naar de visie op het laatste avondmaal als nieuwe (joodse) rite, zoals Meier die voorstelt en door Benedictus gevolgd wordt, komt voort uit een onjuiste gevolgtrekking. Dat latere redactie, zoals Meier beweert, het laatste avondmaal (duidelijker) als een joods paasmaal heeft neergezet, rechtvaardigt geenszins de conclusie dat het laatste avondmaal dus geen joods paasmaal was. Meier trekt wel die conclusie. Dat het laatste avondmaal een joods paasmaal was is echter onderdeel van het gelovige getuigenis van de Heilige Schrift. De historicus diskwalificeert hier het gelovige getuigenis ten voordele van een wankele historische reconstructie.

 

Jezus sterft op hetzelfde moment als de paaslammeren, de 14de Nissan?

 

Het behoeft geen betoog dat Jezus geen paaslam is in de zin van het joodse paaslam, dat volgens de Mozaische en Levitische voorschriften op een bepaalde tijd en wijze uitgezocht, gecontroleerd, geroosterd en gegeten moet worden. Dit zou kannibalisme suggereren, wat strikt verboden is volgens dezelfde wet. De evangelisten vermijden het om Jezus als zo’n paaslam af te schilderen. Toch komt Jezus naar voren als een ‘paaslam’ en Paulus noemt Christus ook letterlijk zo (1Cor.5:7). Hier is de relatie tussen het oudtestamentische (paas)lam en het nieuwtestamentische ‘(paas)lam’ aan de orde.

Stel dat Jezus stierf op hetzelfde tijdstip als de paaslammeren ten behoeve van het joodse paasmaal. Dat zou betekenen dat Jezus sterft op de dag zoals voorgeschreven is in de Mozaische wet. Het offer van Jezus lijkt zo steeds meer op een offer dat volgens de voorschriften van Mozes gebracht moet worden: hij zou volgens uitleggers uitgekozen zijn op de 10de Nissan (zie verderop onder het kopje ‘de volgende dag’ over Joh.12:12) en ‘geslacht’ op de 14de Nissan in de namiddag. Een paaslam dat geslacht werd op de 14de Nissan was door de priesters volkomen geschikt bevonden om te dienen als offer voor het paasmaal. Jezus werd in tegenstelling tot de geslachte paaslammeren volkomen ongeschikt en ongewenst bevonden.
Zoals gezegd: zo’n offervisie zou kannibalisme suggereren en volledig in strijd zijn met de wet. Jezus stierf niet volgens de voorschriften van de wet op het paaslam en dus ook niet op de 14de Nissan. Hierover nog enkele opmerkingen.

 

1. De slachting van de paaslammeren is een vooafschaduwing van wat er in het leven van Jezus gebeurd is. Het gaat in de exodus en het paasverhaal om een heenwijzing en teken. De werkelijke gebeurtenissen in en met het leven van Jezus overstijgen die ‘slachting’ in hoge mate.
In de brief aan de Hebreeën (met name Hebr.7:11-22 ; 9:14, 25) wordt hierover gezegd dat wij een "ander priesterschap", een "andere priester", met een "andere wet", en een "veel beter verbond", met een eenmalig, geestelijk en eeuwig geldend "smetteloos offer" hebben, volgens de ‘orde’ van Melchisedek, die als koning-priester brood en wijn aan Abraham gaf, (Gen.14:18).
Het offer van Jezus was geen offer volgens de Levitische voorschriften en Hij is geen priester volgens die voorschriften. Hij is wel een zoenoffer en een uittocht-lam (‘passage-lam’) maar volgens de orde van Melchisedek (eeuwig en geestelijk). Zijn priesterschap en zijn offer zijn van een totaal andere orde, waarvan de oude orde 'slechts' een schaduw is.
Als Johannes Jezus ‘het lam Gods’ noemt (Joh.1:29) dan verwijst hij niet uitsluitend naar het paaslam, maar naar het reddende offer van het nieuwe altijddurende verbond dat alle andere offers, waaronder het paaslamoffer, vervult. Zijn offer is een offer van zijn bloed (=leven), waarmee Hij de hemel zelf toegankelijk gemaakt heeft voor de mensheid.
Jezus "is dus niet te vergelijken met de hogepriester die elk jaar het heiligdom binnengaat, en dat met bloed dat niet het zijne is," (Hebr.9:25). Aannemen dat Jezus stierf op het tijdstip van de slachting van de paaslammeren suggereert een verbinding met de Levitische offerpraktijk  binnen de wet van Mozes die ver van de bedoelingen van het nieuwe verbond staan.

 

2. Als Jezus bij het eten van het paaslam bij de synoptici de eucharistische instellingswoorden uitspreekt, dan zijn deze gekoppeld aan brood en wijn, en niet aan het vlees en bloed van het paaslam. "Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam.’ ", (Mt.26:26). Jezus had tijdens het eten van het vlees van het paaslam ook kunnen zeggen: dit is mijn lichaam, met verwijzing naar het vlees van het paaslam. Hij verwijst daarentegen naar het brood en de wijn, de geschenken van Melchisedek aan Abraham en de symbolen van zijn ‘eigen Pasen’ en van Gods koninkrijk.


In hoofdstuk 6 van het Johannesevangelie verwijst Jezus ook naar het brood uit de hemel en identificeert zichzelf daarmee. Nergens zegt Hij (wat toch heel voor de hand zou liggen) dat hij het paaslam is, dat gegeten wordt bij het joodse pasen. Wel zegt hij “Ik ben het levende brood…en dat is mijn lichaam”, (Joh.6:51).
Johannes wijst Jezus tweemaal aan als het “lam van God” (Joh.1:29,36). Daarbij gebruikt hij niet het woord voor paaslam (‘pascha’), maar een algemeen woord voor lam. Johannes wil blijkbaar die al te directe verbinding met het joodse paaslam vermijden. Als hij die verbinding wel had willen leggen had hij heel eenvoudig het woord ‘pascha’ kunnen gebruiken (‘zie, het pascha van God’).
Ook wijst Johannes in hoofdstuk 19:36 op het woord uit de Schrift dat ‘geen been van Hem gebroken zal worden’. Jezus wordt samen met twee anderen, die naamloos blijven, gekruisigd met Jezus ‘in het midden’ (vers 18). Van de beide anderen worden de benen gebroken, maar van Jezus niet omdat Hij al gestorven was. Johannes wijst op de ongebrokenheid van de beenderen en dit is een kenmerk van het joodse paaslam, Ex.12:46. Maar die ongebrokenheid van de beenderen is ook een kenmerk van, en belofte aan de rechtvaardige van Ps.34:20.
De ongebrokenheid van de beenderen betekent volkomenheid, recht-schapenheid en rechtvaardigheid.
Hoewel de associatie met het joodse paaslam, waarvan de beenderen niet gebroken mogen worden, duidelijk aanwezig is, wordt door Johannes hier Jezus geschilderd als de Rechtvaardige, wiens benen niet gebroken worden, te midden van de naamloze onrechtvaardigen, wiens benen wel gebroken worden. De typologische overeenkomst met het joodse paaslam is hier slechts aanwezig voor zover het de ongebrokenheid van de beenderen betreft: de kwalitiet van het leven, de recht-schapenheid. Met het citaat van Johannes in 19:36 verwijst hij niet zozeer naar het joodse paaslam zelf, alswel naar de ‘ongebrokenheid van de beenderen’, de rechtschapenheid.
Veel uitleggers, ook Benedictus, benadrukken de verwijzing naar Ex.12:46, het joodse paaslam, maar bij Johannes gaat het m.i. toch vooral om de Rechtvaardige, die door God gered wordt, en ervoor zorgt dat zijn benen niet gebroken worden (Ps.34).
Over het sterven van Jezus schrijft Benedictus: “Het is het uur waarin de Paschalammeren geslacht worden. Van de lammeren mag geen been worden verbrijzeld (Ex. 12, 46). Jezus verschijnt hier als het ware Paschalam, dat rein en volkomen is.” (p.202).
Het is duidelijk dat het joodse paaslam gezien kan worden als een ‘schaduw’ van het ware paaslam van het nieuwe verbond. In die zin heeft Benedictus gelijk. Echter:

De typologische overeenkomst tussen Jezus als Paaslam en het joodse paaslam is gering.
Het joodse paaslam en zijn bloed kon het oordeel wel voorbij laten trekken, maar niet opheffen. Het oordeel blijft langskomen en het joodse paaslam-bloed blijft nodig, totdat het oordeel zelf uitgeschakeld is. Dat is nu gebeurd met het nieuwe verbond. Jezus' offer is dus van een totaal andere orde dan het joodse paaslamoffer. De twee offers hebben dan ook weinig gemeen:
niet de keuze op de 10de Nissan,
niet het onderzoek en het accoord van de priesters,
niet de slachting op de 14de,
niet geroosterd,
niet de verbranding van de resten.


De typologische overeenkomst is wel dat het in beide gevallen gaat om smetteloos, ongebroken en rechtschapen leven en bloed dat gegeven wordt.

Jezus lijkt meer op de eerstgeborenen van het exodusverhaal, die onder het oordeel vallen en gedood worden. Hij echter kon dat oordeel, in tegenstelling tot de eerstgeborenen, wel dragen en overwinnen.

 

Jezus is geen paaslam in de zin van het joodse paaslam als Levitisch offer en Johannes en de synoptici zijn heel terughoudend met het leggen van de link met het joodse paaslamoffer en de voorschriften daaromtrent omdat Jezus als verlossend paaslam van het nieuwe verbond een geheel andere werkelijkheid brengt, buiten de wet van Mozes om.

 

De chronologie bij Johannes in de hoofdstukken 12 tot en met 20.

 

Ik ga uit van de overeenkomst met de chronologie van de synoptici, dus dat Jezus op donderdagavond na zonsondergang de paasmaaltijd gebruikt en dat Hij sterft op de eerste joodse paasdag van dat jaar, vrijdagmiddag voorafgaand aan de Sabbat.

 

“zes dagen voor pasen”, 12:1
In het hele evangelieverhaal van Johannes worden drie paasfeesten genoemd, Joh. 2,6 en 12. Nergens wordt de slachting van de paaslammeren voorafgaand aan dit feest genoemd. In het algemeen kan men zeggen dat bij Johannes alles vanaf hoofdstuk 12 draait om het aanstaande paasfeest. Jezus gaat op weg naar het derde pasen, zijn laatste pasen. Nog zes dagen en dan is het pasen op de zevende dag en daarna is het (“een grote”) Sabbat, de achtste dag. Johannes zegt daarmee m.i. dat dit pasen een bijzonder pasen is: het is het volmaakte pasen, op deze dag heeft God alles volbracht (Joh.19:30). Alles in zijn verhaal gaat naar dat paasfeest toe. Als men veronderstelt dat Jezus op de dag vóór dit paasfeest sterft (tegelijk met de paaslammeren), dan kan men zich afvragen waarom Johannes dan zo toewerkt naar de dag van dit speciale paasfeest zelf.
Jezus en de leerlingen kwamen dan “zes dagen voor pasen” in Betanië, bij Lazarus, Martha en Maria. In de avond werd er “ter ere van Hem” een maaltijd gehouden. Dat is ongetwijfeld een Sabbatsmaal, de maaltijd die gehouden wordt op de rustdag van de Heer. Jezus kwam dus, in de weergave van Johannes, op vrijdag overdag aan in Betanië. Zeven dagen later is het pasen, vrijdag de 15de Nissan (die donderdagavond begint), waarop de Sabbat (die “groot” was) volgt, de achtste dag, de traditionele aanduiding van het begin van het Messiaanse tijdperk.

 

“De volgende dag…”, 12:12
“De volgende dag…” ging Jezus buiten de stad op een ezel zitten, terwijl de menigte hem met palmtakken, als teken van overwinning, toejuichte. De koning is in aantocht! Deze dag was de dag na Sabbat, de eerste dag van de week, in de traditie ook palmzondag genoemd.
Deze dag is geassocieerd met de palmtakken en lofprijzingen van Loofhuttenfeest, hoewel dit feest feitelijk 6 maanden later plaats vindt. Wat deze koning wel als belofte meeneemt is de universaliteit van zijn vrede, zoals in het Loofhuttenfeest o.a. gevierd wordt (Zach.14:16).
In deze chronologie is dit de 10de Nissan, de dag waarop het oudtestamentische paaslam van gekozen wordt, (Ex.12:3). Er wordt door uitleggers vaak gewezen op deze overeenkomst alsof hier sprake is van een type van de verkiezing van Jezus als paaslam. Ik betwijfel of die typologische lezing van toepassing is omdat Johannes (en ook de andere evangelisten) nadrukkelijk de verkiezing van Jezus beschrijft aan het begin van zijn verhaal waar Johannes de Doper verklaart: “Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt” en “Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten”, (Joh.1:29-34, ook Mt.3:16, Mc.1:10, Lc.3:22). Johannes doet ook geen enkele moeite om die verbinding te leggen.
Gods Koning komt, maar wordt Hij geaccepteerd? Dat is niet het geval. Dit ‘Paaslam’ is niet op de 10de gekozen en zal niet op de 14de ‘geslacht’ worden zoals de wet vereist, maar zal buiten de wet geplaatst worden, overgeleverd aan de heidenen en onder het oordeel gebracht worden op de 15de.

 

“Kort voor het paasfeest”, 13:1
“Kort voor het paasfeest” heeft Jezus “een maaltijd” samen met zijn leerlingen. Dit kan de avond voor paasavond, dus woensdagavond, zijn geweest. Vaak wordt verondersteld dat de maaltijd zoals beschreven in Joh.13 de paasmaaltijd is. De tekst geeft daar geen aanleiding toe. Johannes spreekt over ‘een maaltijd’. Nergens in dit hoofdstuk verwijst hij naar de joodse viering van het paasfeest met de paasmaaltijd. Integendeel, Johannes zegt dat deze maaltijd kort voor het paasfeest plaatsvond (vers 1). De eucharistische instellingswoorden komen niet voor. Johannes beschrijft geen paasmaaltijd, maar gebruikt deze maaltijd, naast de weergave van gesprekken met Jezus, voor de beschrijving van het thema van het Verraad: Jezus wordt hier verkondigd als de Rechtvaardige Dienaar (Voetwassing) die door zijn lijden de mensheid rechtvaardigt/reinigt (“Hij die at van mijn brood heeft zich tegen mij gekeerd.”, 13:18).
Benedictus volgt de opvatting dat dit het laatste avondmaal is, maar niet het joodse paasmaal. Hij zegt: “…Johannes, die alle moeite doet om het laatste Avondmaal van Jezus niet als Pascha voor te stellen.” (p.106). Dat deze maaltijd de laatste van Jezus zou zijn wordt niet duidelijk uit de tekst. Deze maaltijd is blijkbaar niet alleen geen paasmaal, maar ook geen laatste avondmaal. Het is wel het laatste maal van Jezus, waarvan verslag gedaan wordt in dit evangelie.

Waarom slaat Johannes de beschrijving van de joodse paasmaaltijd, het laatste van Jezus, over? Men kan zeggen: omdat het er de tijd niet voor was, het moest nog komen. Maar ook nadat Jezus stierf wordt door Johannes met geen woord gesproken over dit paasfeestmaal, maar wel over ‘voorbereiding’en de aanstaande ‘grote sabbat’. Het doet bij Johannes eenvoudigweg niet mee, sterker nog, en hier wijst Benedictus op: hij wekt de indruk dat hij het doelbewust achterwege laat. Waarom doet hij dat dan? Zie hieronder over Joh. 15, 16, 17 “Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb.”.

 

“Kom, laten we hier weggaan.”, 14:31
Na die maaltijd zegt Jezus: “Kom, laten we hier weggaan.” Waar vandaan gaan ze weg en waar gaan zij heen? De laatste vermelding van plaats is Betanië (12:1) zodat het redelijk is om ervan uit te gaan dat Jezus vertrekt uit Betanië, waar hij verblijf hield, en gaat naar Jeruzalem, waar hij al die tijd naar op weg was, om daar zijn Pasen te ondergaan (en het joodse pasen te vieren, waarover Johannes niets vermeldt).

 

“Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb.”, 15, 16, 17
“Ik ben de ware wijnstok…….Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb.” (15:1,3). Zo begint plompverloren de volgende episode. Hoofdstuk 15, 16 en 17 zijn een lange weergave van afscheidswoorden van Jezus. Het is een grote paastoespraak met afsluitend een gebed.
In de verhaallijn van de synoptici zou hier de weergave van het joodse paasmaal volgen. Wat doet Johannes hier? Geen joods paasmaal, maar Johannes geeft m.i. hier de uitleg van de betekenis van het joodse paasmaal zoals dat vervuld wordt in het nieuwe verbond. De rituelen van het joodse paasmaal krijgen hun volle betekenis en vervulling in het leven en woord van Jezus.
-De wijn, beeld van de vreugde van het koninkrijk, is de rode draad door heel deze maaltijd: er zijn 4 bekers, die tijdens deze maaltijd gedronken worden en over de eerste ervan wordt een zegen uitgesproken: “Gezegend zijt Gij, Heer onze God, koning der wereld, die de vrucht van de wijnstok hebt geschapen”. Jezus zegt tot tweemaal toe: ik ben de ware wijnstok, blijf in mij.
-In het huis is geen gedesemd brood meer te vinden, zeven dagen lang geldt dit gebod. Dit brood is beeld van onreinheid (zonde en ‘opgeblazenheid’). Men moest rein zijn voor God, zodat het oordeel voorbij zou trekken. Jezus zegt: jullie zijn rein door mijn woord.
-Men at bittere kruiden en in zout water gedoopte wortelgroenten (b.v. ui) als beeld van lijden en tranen door slavernij en onderdrukking. Jezus waarschuwt voor de haat van de wereld, voor de uitstoting uit de synagoge, voor zware verdrukking in de wereld, en hij belooft de Trooster, de Geest van waarheid en zijn overwinning.
-Het bloed van het paaslam is aangebracht aan de deurposten, het oordeel trekt voorbij. Jezus eindigt zijn verklaring met de verzekering: Ik heb de wereld overwonnen. Hij geeft zijn leven, zijn bloed, als paaslam van het nieuwe verbond aan de mensen: dat is zijn overwinning.

In hoofdstuk 15 en 16 legt Jezus het nieuwe verbond uit aan de hand van de rituelen van het paasmaal van het oude verbond en hij geeft een ‘nieuwe’ wet (15:12,17). Na deze uitleg bidt Hij in hoofstuk 17 als hogepriester van dat nieuwe verbond. Het is donderdagavond na zonsondergang, de 15de Nissan, pasen.
Johannes geeft in hoofdstuk 15, 16 en 17 weer wat Jezus gezegd heeft op de tijd dat het joodse pasen gevierd en gegeten werd. Hij beschrijft niet dat paasmaal zelf, want Jezus’ Woord vervult en vervangt de betekenis van die maaltijd: ‘jullie zijn rein door mijn woorden’. Zijn Woord, dat hijzelf is en dat volledig en volmaakt reinigt, is het ware Pasen van het nieuwe verbond, dat het joodse pasen vervult en vervangt, in dit evangelie zelfs letterlijk.
De bereiding van dit paaslam gaat nu beginnen.

 

“de overkant van de Kidronbeek”, 18:1
Na het slotgebed gaat Jezus naar “de overkant van de Kidronbeek”, naar de olijfgaard, waar hij gevangen genomen wordt. Hij wordt ondervraagd door de hogepriesters Annas en Kajafas. Het is dan donderdagavond/nacht, na de joodse viering van de paasmaaltijd.

 

“vroeg in de morgen”, 18:28
Jezus wordt “vroeg in de morgen” naar het pretorium gebracht naar Pilatus. Het is dan vrijdagmorgen, de eerste dag van het paasfeest. De joden gingen het pretorium niet binnen “om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal”. Dit is het enige vers waaruit gelezen zou kunnen worden dat Jezus stierf op het moment dat de paaslammerem werden geslacht, omdat dit vers suggereert dat de joodse paasmaaltijd nog gegeten moet worden. Maar het kan ook op een andere wijze gelezen worden. Het paasfeest met het feest van ongedesemde broden duurde 7 dagen en het gebod van ceremoniele reinheid in verband met dit feest, zijn bijzondere maaltijden in die week, en het ongedesemd brood, gold gedurende 7 dagen. Het kan dus verstaan worden als verontreiniging in verband met ‘het eten van pasen’ in het algemeen. Het hoeft hier niet noodzakelijk te gaan om het paaslam dat gegeten wordt op paasavond, de 15de Nissan, maar kan ook wijzen op het feestoffermaal van de eerste dag, of zelfs van de zeven dagen van het feest van de ongedesemde broden, (vgl. 2Kron.30:22).

Wat Johannes hier vooral duidelijk maakt is dat Jezus, de Reine, uitgeleverd wordt aan de ‘onreine’ heidenen, door wie Hij ‘verhoogd’ zal worden aan het kruis (3:14 ; 8:28). Jezus wordt uit de synagoge, de gemeenschap van Israel, gezet en degenen die dit doen menen daarmee God te dienen en zichzelf rein te houden, (16:2).
Het gaat hier om de ‘verontreiniging’. Johannes zegt: zij wilden zich niet verontreinigen in verband met het eten van pasen. Wél naar binnen gaan en Hem volgen, het eten van dit paaslam, is voor de joden een ‘verontreiniging’. Voor de joden geldt: wie achter Hem aangaat, verontreinigt zichzelf voor de wet en sterft, om met Hem, de Reine, te leven. Want Hij heeft verlossing gebracht buiten de wet om (Rom.3:21), op de 15de Nissan. Wie Jezus volgt geeft de beschutting van de wet op en vindt zijn ‘reinheid’ in Hem. Dan is het oude voorbij, en het nieuwe gekomen (2Cor.5:17).

 

“met Pasen”, 18:39
Pilatus stelt voor om Jezus vrij te laten want “het is bij u gebruikelijk dat ik met Pasen iemand vrijlaat”.

 

“Voorbereiding”: veroordeling, sterven en begrafenis, 19:14, 31, 42
“Rond het middaguur” wordt Jezus veroordeeld en weggevoerd om gekruisigd te worden. Het is “voorbereidingsdag van Pesach”. Dit kan eenvoudigweg verstaan worden als 'de voorbereiding van de Sabbat tijdens het paasfeest', dus vrijdag. Want 'voorbereiding' is de dag voorafgaand aan de Sabbat (vgl. Joh.19:31, 42), waarop vooral de maaltijden voor de komende dag (voor)bereid worden. Op dezelfde wijze wordt dit woord gebruikt in de andere evangelies, zie Mt.27:62, Mc.15:42, Lc.23:54. Jezus sterft ’s middags en wordt voor zonsondergang dood van het kruis afgehaald en in een graf gelegd in verband met joodse regels voor de Sabbat. Over een paasfeest of paasmaaltijd dat nog moet beginnen wordt verder niets gezegd, het is niet aan de orde bij Johannes.

 

In hoofdstuk 19 wordt driemaal gezegd “het was voorbereiding”:
op het moment van Jezus’ veroordeling,
op het moment van zijn sterven en
op het moment van zijn graflegging.


Hiermee wordt dus gewezen op de dag voor Sabbat, vrijdag.
Maar Johannes speelt, door heel zijn evangelie heen, met dubbele betekenissen:
brood is ook Brood, water is ook Water, wijn is ook Wijn, tempel is ook Tempel, licht is ook Licht, lam is ook Lam, eten is ook Eten, pasen is ook Pasen, sabbat is ook Sabbat en voorbereiding is ook Voorbereiding.
De “voorbereidingdag van pasen” (19:14) kan dan ook gelezen worden als de dag waarop God zijn voorbereiding treft en zijn Voedsel bereidt. God bereidt zijn paaslam van het nieuwe verbond, het brood uit de hemel, als Maaltijd voor de mensheid, (vgl. 6:51-55). Het offer van het Lam van God wordt gebracht en dat is de verhoging/kruisiging van Jezus. De dood van Jezus is de voorbereiding op het Sabbatsfeestmaal van God voor alle mensen. Daarna volgt de Sabbat en “de dag van die Sabbat was groot”,(19:31). Gods voorbereiding van Pasen wordt gevolgd door ‘de grote Sabbat’, de achtste dag, het begin van het Messiaanse tijdperk.
Het was “voor de joden voorbereidingsdag” (19:42): de joden hebben hun eigen paaslam bereidt. Zonder het zelf te beseffen hebben zij hun eigen ‘uittocht’ door middel van het paaslam van het nieuwe verbond (voor)bereidt.

 

Als Johannes duidelijk had willen maken dat Jezus tegelijk met de paaslammeren was gekruisigd, waarom is het joodse paasmaal en de dag van de slacht bij hem dan zo op de achtergrond gebleven, zo afwezig? Johannes is, integendeel, in het geheel niet gericht op het duidelijk maken van deze historische gegevens en deze gelijktijdigheid. Hij beschrijft het Pasen van God door het Woord van Jezus, dat volledig en volmaakt reinigt, en dat alle joodse offers vervult en vervangt. Johannes verkondigt de ‘bereiding’ van dit Pasen (19:14), het offer van het paaslam van het nieuwe verbond, voor alle mensen.

 

“de eerste dag van de week”, 20:1
Het is “de eerste dag van de week”, zondag, waarop de opstanding van Jezus, als eerste van de gestorvenen (1Cor.15:20) plaatsvindt. Dit is de dag waarop de eerste oogst (de ‘eerstelingen’) voor God gebracht wordt in de tempel.

 

Samenvatting en conclusie:
Stierf Jezus op dezelfde dag/tijd als de dag waarop het joodse paaslam geslacht werd, de 14de Nissan, of stief Hij op de paasfeestdag zelf, de 15de Nissan?
De synoptische evangelisten maken volkomen duidelijk dat Jezus stierf op de feestdag zelf. Deze dag was oorspronkelijk een huiveringwekkende dag van oordeel over de eerstgeborenen van Egypte. Jezus, als eerstgeborene van de mensheid, stierf plaatsvervangend op deze speciale dag.
De evangelisten zijn heel terughoudend met het beschrijven van Jezus als joods paaslam. Jezus voldoet niet aan de vereisten voor een geschikt paaslam van het oude verbond, ook niet in typologische zin, zoals b.v. het sterven op de 14de Nisan in de namiddag.
Johannes noemt nergens de slachting van paaslammeren, hij beschrijft geen joods paasmaal en geen eucharistische instellingswoorden. Wel gaat alles in zijn evangelie naar Jeruzalem en naar pasen toe. En het wordt ook pasen in zijn verhaal: op de dag en het tijdstip van de joodse paasmaaltijd verklaart Jezus, als hogepriester van het nieuwe verbond, de betekenis van dit paasmaal zoals het door zijn Woord vervuld wordt in het nieuwe verbond (hoofdstuk 15,16,17). Het joodse paasmaal is bij Johannes letterlijk vervangen door het Woord van het nieuwe verbond.
Op die joodse feestdag wordt het paaslam van het nieuwe verbond (voor)bereidt. Johannes houdt zijn spel met dubbele betekenissen tot het einde toe vol. Het pasen van de joden is de (voor)bereidingsdag van het Pasen van God en van het nieuwe verbond voor alle mensen (19:14).
Ik denk dat Johannes het eens was met de synoptici dat Jezus stierf op het paasfeest, de 15de Nissan.

 

 

Ik heb onder andere gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
De Nieuwe Bijbel Vertaling, 2004
Bijbelcommentaren die op het internet gevonden kunnen worden van bijv. Albert Barnes, John Lightfoot ,John Gill, John Wesley e.a.
Online Bible Studie editie van Importantia.com
Catechism of the Catholic Church, http://www.vatican.va/archive/index.htm
http://www.jewishvirtuallibrary.org/
http://www.chabad.org/
The Eerdmans Dictionary of Early Judaism, 2010
John P. Meier, A Marginal Jew, volume 1, 1991