De Bruid van God

 

Vereniging van twee.

 

In het boek Genesis (1:26-28 en 2:18-25), het boek over de schepping en de oorsprong van al het bestaande, wordt ook over de oorsprong van het leven, de mensheid en het huwelijk verteld. God, die het leven is en geeft, doet de mens ontstaan en maakt hen mannelijk en vrouwelijk.

 

“God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’

God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.

Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en worid talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag…” (Gen.1:26-28).

 

“Toen liet God, de HEER, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees.

Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens.

Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’

Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.” (Gen.2:21-24).

 

God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. God, die Eén en Leven is, maakt de mens en schept hem tweevoudig: mannelijk en vrouwelijk. God splitst als het ware zichzelf, het beeld van God, die één is, in tweeën, als aards mannelijk en vrouwelijk. Wanneer deze twee samenkomen en zich verenigen herstelt dit gesplitste beeld zich tot Eén. Die drang tot eenwording is goddelijk geïnspireerd (de drang naar eenheid), omdat de eenheid van (het beeld van) God hersteld moet worden. Gods zegen van de mens is gericht op die eenheid en de vrucht van die eenheid: nieuw leven in de wereld en vervolmaking van de wereld.

Die eenwording/vereniging is een kosmische noodzakelijkheid door God met en in de schepping van de kosmos en bios gegeven. En wanneer die eenheid tot stand komt, wanneer het beeld van God hersteld wordt in een soort biologische kernfusie, dan ontstaat nieuw leven, want God, de Ene, is leven en vrucht van leven.

 

Dit is de (ideale) achtergrond van de oerverbinding tussen man en vrouw: de man/bruidegom en de vrouw/bruid, brengen een ‘vrucht’, een kind, voort als zij zich verenigen, waarmee zij hun twee-heid tot één maken en vrucht van nieuw leven voortbrengen. Deze vruchtbaarheid is een zegen en viering van de eenheid.

 

Wat heeft God en zijn bruid hiermee te maken?

 

Met ‘God en zijn bruid’ spreken de Schriften in geestelijke zin. Aardse zaken zijn dan beeld en gelijkenis.

God, de Schepper van hemel en aarde, wordt in de bijbel op heel veel manieren beschreven en uitgebeeld. Hij is als een vader, als een moeder, als een held, als een krijger, als een verlosser en nog veel meer. Een van de sterkste beelden van God is dat van vader. Hij noemt het volk Israël zijn eerstgeboren zoon (Ex.4:22,23). Een ander, niet minder sterk en vaak voorkomend beeld van God, is dat van echtgenoot of bruidegom. Dit beeld van het huwelijk tussen God en zijn bruid kun je rustig een Hoofdweg, een A1,  door de hele heilige Schrift noemen. God heeft bij wijze van spreken een vrouw en die vrouw is de mensheid/Israël/Juda/Jeruzalem. De volkeren hebben een god en een godin, die gemeenschap met elkaar hebben in ‘het heilig huwelijk’, tot zegen van land en volk. In de bijbel wordt dit gegeven gecorrigeerd (geheiligd) naar het heilig huwelijk tussen God, de bruidegom, en zijn bruid, de dochter (=het volk) van Jeruzalem. Dit thema komt je tegen van het begin tot het eind: vanaf de schepping, waarin God de mensheid schept om met Hem te leven in een (huwelijks)verbond, tot de nieuwe schepping waarin God bij de mensen woont, en het nieuwe Jeruzalem als een bruid van God uit de hemel neerdaalt.

Die verbinding tussen God en mens is als een huwelijksverbond, waarin wederzijdse liefde, overgave en zelfgave (gemeenschap) centraal staan. Deze beeldspraak wordt gebruikt m.b.t. God en de mensheid (Gen. 1), God en zijn volk Israël, God/Christus en de Kerk, en God en Jeruzalem (Hos.2:16-20; Ef.5:25; Op.21:2).

 

Wat heeft Maria hiermee te maken?

 

Maria is bij Lukas, meer dan bij Matteüs, ‘de dochter van Jeruzalem’, beeld van de bruid van God. De gemeenschap tussen God en de bruid is geestelijk en brengt een geestelijke vrucht voort: de Messias, de zoon van God en zijn Bruid. De heerschappij van deze helige zoon op de troon van David is eeuwig. Deze eerstgeborene is eigendom van God en wordt niet losgekocht voor 5 sjekel bij zijn presentatie in de tempel (Luk.2:22-24), zoals men volgens de Tora placht te doen bij eerstgeborenen onder het joodse volk (Num.18:15,16). Hier volgt Lukas het verhaal van Hanna, die haar zoon Samuel niet loskocht, maar aan de tempel gaf om God te dienen.

Maria zelf, als meisje van vlees en bloed, kan moeilijk de bruid van God genoemd worden. God is niet getrouwd met Maria, maar Jozef. Wel kan zij, in haar vertegenwoordigende positie van ‘dochter van Jeruzalem’ de titel Bruid van God dragen. Want dit is duidelijk uit de heilige Schrift: God heeft één bruid, één vrouw: het heilige Jeruzalem en niemand anders. En uit die verbintenis komt Gods grote liefde voort: zijn Zoon Jezus, naar wie wij moeten luisteren (Luk.3:21,22).

 

De maagdelijke geboorte, intro


De Messias, de Gezalfde, van Israël, is tegelijk de Messias van God. Dat is een heilige en rechtvaardige man. Deze man is de vrucht van het heilige Israël/Jeruzalem en haar heilige God. De Heilige God kan alleen ‘gemeenschap’ hebben met een heilig volk: rein, zuiver en maagdelijk.
Matteüs en Lukas beschrijven dit allebei met behulp van de beeldspraak van Maria als beeld van het heilig Israël (de jonkvrouw Jeruzalem, de dochter van Sion, de dochter van Jeruzalem). Beiden benadrukken met klem de zuiverheid en maagdelijkheid van Maria. Nergens anders in het nieuwe testament komt dit gegeven van de ‘maagdelijke geboorte’ voor, alleen bij Matteüs en Lukas. Zij geven wel een betrouwbaar verslag van wat gebeurd is (en wat gebeurt en zal gebeuren), maar dat is niet een journalistiek historisch verslag van een verleden gebeurtenis. Het is geen videocamera-verslag wat zij geven. Hun betrouwbaarheid is een geestelijke betrouwbaarheid, die verwijst naar God, die is, die was en die komt. Hun verhaal is weergave van gisteren, nu en de toekomst. Daarvoor gebruiken zij historische gegevens (Maria en Jozef) en beeldspraak, die voornamelijk ontleend is aan de Hebreeuwse geschriften, het Oude Testament. Bijvoorbeeld het beeld van het huwelijk tussen God (de bruidegom) en zijn geheiligde/maagdelijke volk Israël (de bruid): het heilig huwelijk tussen God en mens.
 
De vrucht van de gemeenschap tussen God en Zijn heilig volk, waarvan Maria het beeld en de gelijkenis is, is de heilige Zoon, de Messias van Israël en God.

 

************************

 

Hier is nog veel over te zeggen, waar ik een poging toe doe in:

Maagdelijke geboorte 2