Jezus de Nazarener? Over Mt. 2:23

 

 

Hoe zit het met deze uitspraak van Matteus:

 

Mt.2:23:

"Hij ging wonen in de stad Nazaret, en zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeten: ‘Hij zal Nazoreeër genoemd worden.’ "

 

Jezus zal “Nazarener” genoemd worden, zoals gezegd is door de profeten.(Matt.2:23;Marc.16:6). Matteus schrijft 'Nazoreeër', wat op hetzelfde neerkomt als 'Nazarener'. Dit is het slot, en de slotconclusie van Matteus over Jezus, waar zijn hele opening in hoofdstuk 1 en 2 naar toe gaat: dat Jezus 'de Nazarener' genoemd zal worden. Dit is voor Matteus het hoogtepunt van zijn karakterisering van Jezus.

 

Het merkwaardige is nu dat er geen specifieke profetieën in de Hebreeuwse Schrift, het Oude testament, zijn die spreken van een dergelijke titel voor de messias of iemand anders. De stad Nazaret wordt in het Oude Testament nergens genoemd. Dat is dan wel vreemd; heeft Matteus zich vergist en kende hij de oude Geschriften niet zo goed?

Opgemerkt moet worden dat Matteus schrijft: "gezegd is door de profeten". Hij noemt geen specifieke profeet bij naam. Hieruit kan worden geconcludeerd dat Matteus niet een profeet in het bijzonder op het oog heeft, maar dat hij verwijst naar een algemeen thema in de woorden van de profeten (of zelfs in de Hebreeuwse Schrift als geheel).

 

Als je wat onderzoek doet vind je een aantal verklaringen.
In het kort:

 

1. “Nazarener” verwijst simpelweg naar de stad Nazaret in Galilea, waar Jezus vandaan kwam. Dat is het. Matteus maakte dus een fout, want deze stad wordt nooit genoemd in de Hebreeuwse Schrift.

 

2. “Nazarener” verwijst naar de Hebreeuwse wortel ‘netser ' (twijg, takje) en dus kan Jes.11:1 een van de messiaanse profetieën zijn waarnaar Matteus verwijst: de messias als twijg aan de tronk van Isaï, die tot heil van Israël en de volken gesteld wordt. Deze uitleg, heb ik mij laten vertellen, is taalkundig gezien niet sterk, maar de associatie kan wellicht gemaakt worden.

 

3. “Nazarener” verwijst naar de Hebreeuwse wortel 'nazir' (toewijden, afgescheiden, bijv. in Richt.13: 5). Dan zou Jezus een nazireeër zijn geweest, een volkomen aan God toegewijd man. Deze uitleg schijnt taalkundig ook zwak te zijn en bovendien voldoet Jezus niet helemaal aan het profiel van de nazireeër (Jezus dronk wel wijn bijv.).

 

4. Nazaret als synoniem van "veracht":
De reputatie van Galilea in Israel was negatief (‘heidens’) en een van minachting. En daarbovenop was de reputatie van Nazaret binnen Galilea ook weer negatief. Dus Nazaret was het laagste van het laagste. Deze uitleg zou betekenen dat een van de belangrijkste titels van Jezus zou zijn: 'de Verachte'. Dit lijkt een onwaarschijnlijke titel voor een Koning en Verlosser. Hoewel hij in de ogen van de mensen veracht en verworpen was (Isa.53: 3), is hij in de ogen van God toch vooral 'de Geliefde'. De onbekendheid, onaanzienlijkheid en nederigheid van Nazaret als thuishaven van Jezus kan meespelen in de typering van Jezus, maar als de hoofdverklaring voor de titel ‘Nazarener’ lijkt dit niet aannemelijk.

 

5. “Nazarener” verwijst naar de Hebreeuwse wortel ‘natsar' (bewaken, behouden, bewaren, behoeden, beschermen). De Hebreeuwse naam van Nazaret  is Nots'rat en de wortel van Nots'rat is ‘natsar’, bijvoorbeeld in Deut.32:10: Hij beschutte hem, lette op hem, bewaarde (natsar) hem als zijn oogappel (zie ook: Jesaja 42:6, 49:6; Psalm 32:7, 40:11, 12:7). De stad Nazaret ligt dicht bij een heuvel van waaruit de omgeving in de gaten kan worden gehouden, en kan worden 'bewaakt, beschermd' tegen de vijanden. Deze uitleg lijkt taalkundig gezien de meest waarschijnlijke.

 

Jezus als 'Nazarener' is de "behoeder" van Israel, en daarmee draagt Hij de Naam van God zelf: Behoeder van Israel (Jes. 27:3).

 

Wat doet Matteus in hoofdstuk 1 en 2 van zijn boek?


Hij beschrijft wie Jezus is en waar Hij vandaan komt (zijn oorsprong of 'genesis'). Hij geeft vijf vervullingen van profetieën met betrekking tot Jezus:

 

1-hij is geboren als zoon van God, Immanuël, God met ons, Matt.1: 22,23. God is de Vader van Jezus. Matteus verwijst naar de profeet Jesaja (7:14). Zijn werkelijke oorsprong is geestelijk (zie ook mijn artikel 'Over de maagdelijke geboorte').

 

2-geboren in Bethlehem, de geboortestad van David, en vereerd als het licht voor de volken (vgl. de wijzen uit het oosten), Matt.2: 6. Matteus verwijst naar de profeet Micha (5:2).

 

3-hij vluchtte naar Egypte vanwege de vijand Herodes, en na de dood van Herodes werd hij "geroepen uit Egypte", terug naar het land van Israël, Matt.2: 15. Matteus verwijst naar de profeet Hosea (11:1).

 

4-de kinderen van het volk in Bethlehem, het huis van David, werden vervolgd en vermoord door Herodes. Rachel als moeder van het Noordelijke Israel/Rama rouwde en treurde om de wegvoering en dood van haar kinderen. Haar graf lag volgens de traditie in de regio van Betlehem, Matt.2: 18. Matteus verwijst hier naar de profeet Jeremia (31:15) en  trekt een paralel tussen het lijden van Betlehems kinderen en de kinderen van Rachel/Israel.

 

5-maar dit kind en zijn familie werden door God behouden, als een ‘overblijfsel’, uit de vervolging en slachting, en zij weken uit naar het ‘heidense’ Galilea. Hij ging wonen in Nazaret ('natsar' = behoeden, bewaken) in Galilea, land van Zebulon en Naftali, en werd genoemd ‘Nazarener’ (behoeder, bewaker): de trouwe bewaker van Gods Woord, die bewaakt wordt door God, Matt.2: 23.

Matteus verwijst hier naar ‘de profeten’: de algemene profetische gedachte dat God zijn volk bewaard door alle ellende heen: God behoedt de trouwe rest, die zijn woord bewaard.

 

De manier waarop Matteüs het leven van Jezus beschrijft in deze twee hoofdstukken herinnert de lezer zonder enige twijfel aan de geschiedenis van Israël.

 

Het profiel van Israël:
1. het volk van God, als uitverkoren zoon van God, op wie van toepassing is ‘God met ons’, Emmanuel (Ex.4 :21-23; Deut.31: 8; Jes.7: 14). Dit volk is als volk 'maagdelijk geboren' bij de berg Sinaï, toen zij de Tora ontvingen, de Woorden van God. Israël is als volk geboren door en uit het Woord van God. Het is geen volk als de andere volkeren, maar een heilig volk, door God zelf geschapen.

 

2. de koninklijke heerschappij zal voortkomen uit Juda, uit de koninklijke lijn van David, uit de stad van Bethlehem (Mic.5: 2). Deze zal tot zegen van Israël en tot een licht voor de volken zijn (Jer.23:6 ; Jes.42). Het land van Zebulon, waarin Nazaret ligt, en Naftali zien in hun donkerheid een groot licht (Jes.9:1,2).

 

3. dit volk werd verlost van de slavernij, als eerstgeboren zoon van God, die werd geroepen uit Egypte (Ex.4 :21-23; Hos.11: 1).

 

4. dit volk werd vervolgd en vermoord door zijn vijanden of in ballingschap gestuurd. Rachel weent over haar kinderen (Gen.35:19; Deut.28; Jer.31: 15).

 

5. maar het overblijfsel van Israël, dat het geloof behield, werd behouden door God. Israël als bewaker van God en Zijn Woord, werd bewaakt door God (Deut.28: 62; Isa.7: 3 (Sear-jasub = 'een rest zal weerkeren'); Isa.10: 21,22; Jer.31:7).

 

Matteus maakt duidelijk gebruik van dit profiel om het verhaal van het leven van het kind Jezus te vertellen als de vervulling van de oude profetieën: hij beschrijft zijn levensverhaal als een persoonlijke analogie van de geschiedenis van het volk van Israël. Daarin blijkt Israel type/voorafbeelding te zijn van Jezus. De Koning past bij zijn volk als de sleutel bij het sleutelgat. De Koning maakt zijn volk compleet: Hij vervult de profetieën, de aloude verlangens en verwachtingen zijn in hem volkomen tot vervulling gekomen. Matteus geeft  op zijn manier, in overeenstemming met de bijbelse geschiedenis van Israel, antwoord op de vragen wie Jezus is en waar Hij vandaan komt.

 

Heeft Matteus Jezus’ levensverhaal naar believen passend gemaakt op het profiel van Israel, voorbijgaand aan iedere historische realiteit?


Matteus’ verhaal is geen video-camera-geschiedenis. Alszodanig is zijn verhaal historisch niet te bewijzen. De normen van wat moderne wetenschappelijke geschiedschrijving is gelden niet voor de bijbelse verhalen. Matteus is een verteller, een vertelkunstenaar. Hij legt een innige relatie tussen Jezus en het volk van Israel. Zijn verhaal is tegelijkertijd geschiedschrijving (terugkijken: met gebruikmaking van beeld en gelijkenis), transcendentie (omhoogkijken: Godsopenbaring), profetie (vooruitkijken) en recapitulatie (samenvatting). Matteus gebruikt een aantal feiten uit het leven van Jezus en een aantal feiten van de (bijbelse) geschiedenis om die relatie duidelijk te maken. Paus Benedictus zegt hierover in zijn Jezusboek over de kinderjaren van Jezus (p.113):

“De twee hoofdstukken van Matteus met verhalen over Jezus’ kinderjaren zijn niet een meditatie in de vorm van vehalen, maar omgekeerd: Matteus vertelt ons wat er werkelijk gebeurd is, theologisch doordacht en geïnterpreteerd. Hij helpt ons op die manier om het geheim van Jezus beter te begrijpen.”

 

Wat wel met zekerheid gezegd kan worden is:
-Jezus komt uit het huis en het geslacht van David, die uit Bethlehem kwam.
-Jezus groeide op in Nazaret, Galilea, in het land van Zebulon en Naftali.
-Er waren ook in die tijd opvallende astronomische verschijnselen, bijzondere sterren, zoals die in iedere tijd voorkomen.
-Er waren in die tijd nog steeds wijzen, magiërs, die de sterren bestudeerden, in Babylon.
-Herodus was een vazal-koning van het Romeinse Rijk over het land Israel, en hij was een kindermoordenaar.

-Israel werd in die tijd onderdrukt door de Romeinen.
-Er werden in die tijd regelmatig volkstellingen gehouden, die soms lange tijd duurden; dit gegeven wordt alleen door Lukas gebruikt (Luk.2:2).

Matteus gebruikt deze historische gegevens, en de bijbelse geschiedenis van het volk Israel, om te vertellen wie Jezus is en waar Hij vandaan komt.

 

Als de betekenis van “Nazarener” (gebaseerd op de taalkundige wortel ‘natsar’) is: behoeder van God’s woord, die door God behoedt wordt temidden van zijn vijanden in ballingschap tussen de ‘heidenen’ van Galilea, dan kan deze persoon gemakkelijk geïdentificeerd worden als het ‘overblijfsel/de rest’ van Israël, waarover gesproken wordt door de profeten, en als de twijg/schoot uit de stam van Isaï en de tak/spruit uit zijn wortels (Jes. 11:1; Zach. 6:12; Jer.33:15; Ez.17:22).

 

Dit betekent dat met de titel “Nazarener” Matteüs meerdere betekenissen laat samenkomen:
-Afkomstig uit Nazaret, de onbelangrijke, zelfs geminachte, kleine stad in heidens Galilea. Er wordt op hem neergekeken, hij wordt geminacht "als een wortel uit dorre aarde" (Isa.53: 2,3). Het volk van het ‘land van Zebulon en Naftali’, dat in duisternis wandelt, waar Nazaret ligt, heeft een groot licht gezien (Jes.9:1,2).


-Behoeder van het geloof en het Woord, behoedt door God (‘natsar’).


-Het overblijfsel van Israël, gesymboliseerd door de twijg/tak van Isaï en de spruit van David ('netser').

 

Geheel in overeenstemming met de heilige Schriften van Israël schildert Matteüs Jezus als:
de zoon van God,
de koning-messias,
licht voor de heidenen,
het overblijfsel van Israël, onbeduidend en zelfs veracht in de ogen van de mensen,
de rechtvaardige ‘spruit’ van David,
de bewaker van Isaëls heil, zelf door God bewaakt, om: "de bewaarden van Israel terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde." (NBG, Jes.49:6).

Jezus krijgt van Matteüs de naam Nazarener, en dat is de Naam van God: Behoeder van Israel.

 

Conclusie:

De vijf profetieën (van Jesaja, Micha, Hosea, Jeremia, de profeten) van de eerste twee hoofdstukken van het boek Matteüs recapituleren de geschiedenis van Israël in het levensverhaal van het kind Jezus, met als hoogtepunt en apotheose de slotscène van de heilige familie, die met het kind uitwijkt naar Galilea, Nazaret, als de vervulling van wat de profeten in het algemeen, maar vooral de vier eerder geciteerden, hadden gesproken. Matteüs maakte geen fout, maar hij vatte letterlijk in één woord samen wat ‘de profeten’ hebben gesproken over wie de Messias van Israel is en waar Hij vandaan komt:

 

“Hij zal Nazarener genoemd worden.”