Weten jullie nog? Jozef en Maria waren dankzij Balkje de Ezel goed aangekomen in een stal, waar Maria een mooie baby kreeg. Er waren herders en ook was daar een os.
“Nu is het mijn beurt, zeker”, zei de os met een zachte roestige stem.
Balkje de Ezel vroeg aan de os waarom hij hier zo alleen in deze sombere stal zat.
De os schraapte uitgebreid zijn keel: “Boechchrrocheluchemchboe”. Toen begon hij langzaam te vertellen: “Mijn naam is Schorrie, mijn baas gaf mij die naam toen hij mij kocht van een zwerver die gevlucht was uit een ander land. Ik was toen nog jong en sterk, en heel geschikt voor werk op het land. Hier op die prent kun je mij zien, naast Balkje:
Schorrie naast Balkje bij de kribbe
Ik heb altijd hard gewerkt. Mijn baas was een keuterboertje die zoete aardappelen, granaatappels en vooral tarwe kweekte. Ik maakte de grond klaar voor het zaad. En als de tarweoogst geweest was moest ik dorsen, dat is het kaf van het koren scheiden. Ik liep over de tarwe om de heerlijke graankorrels los te maken van de tarwe-aar. Mijn baas deed mij dan een muilkorf om mijn mond zodat ik geen lekkere korrels kon eten tijdens mijn werk. Boechchrrocheluchemchboe.”
“O wat vervelend!, riep Balkje. “Jij moest werken en je mocht niet eens een paar graankorrels eten van jouw eigen werk. Dat is gemeen. Je mag een dorsende os toch niet muilkorven?”
Schorrie werkt op het land (AI)
“Ja, dat was wel vervelend. Maar dit is allemaal niet zo belangrijk voor jullie, natuurlijk. Toen mijn baas met pensioen ging moest ik ook met pensioen. Tenminste dat dacht ik, maar hij had een ander plan: hij wil mij aan een slager verkopen.
Balkje reageerde met afschuw: “I-A, A-U, dat is ook rot voor je!”.
“Ik wist toen niet wat een slager was, maar het klonk in ieder geval niet positief. Nu weet ik dat hij mij als voedsel op tafel voor de feestdagen wil verkopen. Mijn baas had voor vandaag afgesproken met die slager, maar toen kwam het bevel van de keizer. Keizer de grote Ramp wordt hij in ons dorp genoemd. Iedereen moest naar zijn geboortestad om zich in te laten schrijven voor de belastingdienst. Nou dan weet je het wel: dat is dus voor die nieuwe balzaal in het paleis van keizer Ramp. Mijn baas deed graag wat die Ramp wilde, hij was een groot bewonderaar van de keizer en leek zelfs op hem.
Mijn baas zei dat hij nu een paar dagen weg moest naar een plaats ver weg, ergens in Italië, Rome heette die stad geloof ik, om zich in te laten schrijven in het register van de keizer. Hij zou daarna met mij afrekenen, zei hij, dan kon hij tenminste echt van zijn pensioen gaan genieten. Ik was blijkbaar zijn pensioenpotje. Maar dit was voorlopig mijn redding, gelukkig. Boechchrrocheluchemchboe”.
Schorrie moest weer even wat drinken en zijn keel schrapen.
Schorrie met muilkorf aan het dorsen. (AI)
“Beste Balkje, je hoort het: dat was het dan, mijn leven in een notendop. Onder de knoet van mijn baas. Hij was geen lachebekje, geen gezellige man die zijn familie uitnodigde voor de feestdagen en een verhaaltje voorlas bij het kampvuur of bij de kerstboom. Nee, integendeel, hij was altijd zijn centen aan het tellen en hoeveel hij nu weer had verdiend. En vooral hoe hij zijn klanten had kunnen afzetten. Geen fijne man dus, net als de keizer. Maar ja, ik had eten en onderdak dus dan slik je weleens wat. En nu wacht ik op het oordeel, bij de slager. Ik ben oud, ik heb geen familie want ik ben een os, en ik kan nergens heen. Niemand wil mij nog hebben, dus.....Boehoechrochel- …..boechchch.”
Schorrie had een traan in zijn oog.
Balkje moest wel even denken aan hoe goed hij het altijd had bij zijn baasjes Jozef en Maria. Hij kreeg zelfs medelijden met Schorrie, ook al kon hij vreselijk stinken.
Om de nacht door te komen begonnen de herders weer te zingen, net als de engelen die ze gehoord hadden. Later, midden in de nacht kwamen er nog drie mensen langs in de stal: Schorrie wist niet wat hem overkwam. Ze zagen er koninklijk uit met hun mooie en kleurrijke kleren. Ze kwamen uit verre landen en spraken een vreemde taal. Zoiets had Schorrie nog nooit gezien! Maar zij hadden ook bijzondere cadeau's bij zich, en de taal van cadeautjes spreekt iedereen, daar worden alle mensen blij van.
Drie koningen op reis
De cadeau's waren voor het wonderkind in mijn voederbak daar, dacht Schorrie: een lekker geurtje, zag hij. Balkje was daar ook heel blij mee. En ook een potje olie voor een soepele huid, en een zakje met goudkorrels. Alvast voor zijn studie zeker. Wat een mooie cadeau's! Dit kind wordt echt goed verzorgd!
Schorrie dacht dat hij eenzaam en alleen achtergebleven was na het vertrek van zijn baas, maar hij had het nog nooit zo gezellig gehad met zulke lieve mensen en dieren om zich heen.
Na een paar dagen gingen Jozef en Maria weer op reis terug naar hun eigen huis in Nazaret. Zij hadden zich ingeschreven voor de balzaal, o pardon, de belastingdienst, van keizer de grote Ramp.
Balkje keek Maria aan en zei: “I-A, I-A”, en hij wees met zijn hoofd naar Schorrie. Dat betekende zoveel als: “mag Schorrie met ons mee, ik kan wel wat dierlijk gezelschap gebruiken. Wij dieren spreken, zien, horen en ruiken toch anders dan mensen.” Maria begreep precies wat Balkje bedoelde en omdat zij op zijn rug reisde vond ze dat ze ook wel wat terug moest doen voor Balkje. Maria aaide Balkje en overtuigde Jozef ervan om Schorrie mee te nemen en hij liet twee goudkorrels achter voor de baas van Schorrie als dank voor het gebruik van de stal en voor Schorrie zelf.
Schorrie hoefde niet naar de slager!
Wat was Schorrie blij.
Toen hij een enorme hoestbui van geluk kreeg, begon het kind in Maria's armen zo lief te glimlachen, het leek wel of hij alles begreep wat er gebeurde. Maria moest later nog vaak terug denken aan die vele momenten van geluk die op een wonderlijke manier altijd met haar Kind te maken hadden.